Laten we vooral niet doen of dit een Matthijsprobleem is.

Illustratie: Sébastien Thibault voor Het Financieele Dagblad

Jarenlang werkte ik als tv-redacteur, maar nooit op de redactie van De Wereld Draait Door of een ander programma met Matthijs van Nieuwkerk. Ook NOS Sport staat niet op mijn cv. Toch staat er niets in het rapport van de commissie-Van Rijn dat mij choqueert of verbaast. Wat mij wel verbaast (en boos maakt) zijn al die omroepbobo’s die in kranten en talkshows verschijnen om te zeggen hoe geschrokken ze zijn.

De kracht van het rapport ‘Niets gezien, niets gehoord, niets gedaan’ is dat het een stem geeft aan de ervaringen van veel verschillende mensen. Het voorkomt dat we incidenten isoleren, waarover we dan gaan discussiëren of ze nu wel of niet ernstig genoeg zijn. Het rapport richt zich op de opeenstapeling van ervaringen die zich dag na dag voordoen. Het gaat niet om die ene opmerking, of die ene persoon, maar het rapport maakt het cumulatieve effect zichtbaar.

In mijn jaren als redacteur werkte ik bij de commerciële en de publieke omroep en bij buitenproducenten. Ik maakte daar entertainment-, nieuws- en actualiteitenprogramma’s. Overal had of zag ik ervaringen zoals die in het rapport worden benoemd. Ik ben uitgescholden en vernederd en heb bakken met seksisme ondergaan. Dat gedrag was zeker niet exclusief voorbehouden aan tv-presentatoren. Ik heb met schatjes gewerkt van grote naam en faam, en met voor het grote publiek totaal onbekende, maar dictatoriale, eindredacteuren. Met collega’s die er achter je rug alles aan deden om je eruit te werken.

Exitgesprekken

De dictatoriale types waren mannen en vrouwen, al was het seksisme wel een mannenprobleem. Overal waren leidinggevenden die avances maakten en ontelbare ongepaste opmerkingen. Functioneringsgesprekken stonden gelijk aan exitgesprekken vol kritiek, zodat men je geen vast contract hoefde aan te bieden. Een hoofdredacteur loste dat zo op: ‘Je begrijpt natuurlijk zelf ook wel dat je alleen maar bent aangenomen omdat je een charmante verschijning bent’.

Al die kortlopende contracten zijn zowel de oorzaak als het gevolg van het gebrek aan waardering voor de mensen die het onzichtbare werk doen bij de omroep. Die medewerkers worden veelal gezien als totaal inwisselbaar. En omdat je steeds weer dezelfde baasjes op andere niveaus en bij andere programma’s tegenkomt, kun je je als jonge, ambitieuze starter niet permitteren om vijanden te maken.

Gelijkenissen met de ontgroening bij het studentencorps dringen zich op. Het is zo volkomen geaccepteerd en genormaliseerd om nieuwe aanwas te vernederen en om elkaar in seksisme te overtreffen, dat de nieuwe leden er een jaar later ook aan meedoen, met een 10 voor inzet.

Predikende directeuren

En hoewel de presentatoren nu vaak als boeman worden weggezet, wordt ook met hen – ook anno 2024 – vaak ronduit onfatsoenlijk omgegaan. Zo horen ze via de media (of zien in de planning) dat ze vervangen zijn door ‘jong talent’, of dat hun programma uit de programmering is geschrapt. Intussen verdringen hun directeuren zich al dagenlang voor de camera’s om naar aanleiding van het rapport-Van Rijn ‘fatsoen moet je doen’ te prediken. Het lijkt of zij oprecht geen idee hebben hoe diep de respectloosheid is ingesleten binnen hun eigen omroep, en in hun eigen geledingen.

En ach, misschien is het logisch. De mensen die de top hebben weten te bereiken in omroepland zijn diegene die er goed in geslaagd zijn in deze giftige cultuur te overleven. Sommigen van hen is dat gelukt door tegen de stroom in fatsoenlijk te blijven, maar er zijn er te veel van hen die dat lukte door het spel van verdeel en heers, likken naar boven en schoppen naar beneden onder de knie te krijgen.

‘De mensen die de top hebben weten te bereiken in omroepland kunnen in deze giftige cultuur blijkbaar goed leven’

De korte flexcontracten en de bijkomende onderlinge concurrentie helpen daar zeker niet bij. Waarom werkt onze publieke omroep niet allang met een pool aan redacteuren die gewoon in vaste dienst zijn bij de NPO en uitgeleend worden aan omroepen en programma’s? Met professionele functionerings- en beoordelingsgesprekken en een opleidingsaanbod om te groeien. Met leidinggevenden die weten hoe je een team samenstelt en op z’n best laat functioneren. En een werkcultuur waarin mensen zich durven uit te spreken en creatief durven zijn.

De oproep om ‘normaal te doen’ van de commissie is daarom, hoe lief bedoeld ook, niet een advies dat ons verder zal helpen als we niet eerst heel precies definiëren wat we met ‘normaal’ bedoelen. Want normaal is wat de norm is, en het is nu juist die norm die in-en-in giftig is. Laat daarom de oproep zijn: wees professioneel, wees fatsoenlijk, wees aardig.

En laten we vooral niet doen of dit een Matthijsprobleem is. Het probleem is dat respectloosheid in al zijn varianten zó normaal is in Hilversum dat zelfs de eindbazen het niet herkennen.

Deze column verscheen op 10 februari 2024 in Het Financieele Dagblad.

Nederlanders laten hun kinderen in de kou staan

lllustratie: Sebastien Thibault voor het Financieele Dagblad

Toen historicus en FD-columnist Mathieu Segers in december veel te jong overleed, dacht ik terug aan een essay van hem dat destijds diepe indruk op mij maakte. In ‘Een politiek van Gevolgen’ (De Groene Amsterdammer, november 2021) hekelde hij midden in de coronapandemie de Nederlandse arrogantie en het gebrek aan solidariteit met landen die hun ‘zaken minder goed op orde hadden’.

Segers stelde dat de Nederlanders gebukt gaan onder een vals zelfbeeld van superioriteit. Hierdoor kijken we bij problemen of crises alleen naar de gevolgen. De oorzaken liggen altijd elders, buiten onszelf. Doordat we denken het ‘van nature’ beter te weten (gidsland!), ontbreekt ons de wil om zaken écht te begrijpen.

Wie een jaar of drie later de kranten leest, weet: Segers’ analyse heeft niets aan actualiteit of urgentie ingeboet. Nog dagelijks zien we de focus op gevolgen. Die focus gaat steeds opnieuw gepaard met de weigering de oorzaken aan te pakken én de onbedwingbare neiging om naar ‘de ander’ te wijzen.

Voorbeelden te over, op veel verschillende beleidsterreinen. Dat wordt extra pijnlijk als jongeren de dupe zijn. We laten onze kinderen in de steek, bijvoorbeeld waar het gaat om antirookbeleid, vuurwerkslachtoffers en onderwijsresultaten.

‘Keihard aanpakken’

Neem het vuurwerkletsel. Maar liefst 70% van de vuurwerkslachtoffers is jongerdan 18 jaar. Toch reageerde de politiek deze maand weer voorspelbaar op alle amputaties en oog- en oorletsels bij onze scholieren. Veiligheidsminister Dilan Yesilgöz (VVD) richtte haar pijlen op de belagers van hulpdiensten: ‘We moeten ze keihard aanpakken.’ NSC-leider Pieter Omtzigt zag wel iets in het verbieden van bivakmutsen.

Reflectie op ons eigen beleid ontbreekt: de Nederlanders doen het al jaren prima (traditie!) en de anderen (raddraaiers!) zijn het probleem. Van een verbod op de verkoop van vuurwerk kan geen sprake zijn.

En terwijl we kalmpjes afkoersen op een nieuwe generatie vuurwerkslachtoffers bij de komende jaarwisseling, gaat het ideaal van de rookvrije generatie in rook op. Jongeren zijn juist méér gaan roken, daartoe verleid door vapes met snoepsmaakjes. Het verbieden van dit kankerverwekkende nicotinesnoep ging met een gekmakende slakkengang. Eindelijk – sinds 1 januari – mogen vape-winkels de smaakjes niet meer verkopen. Bozig vullen zij nu hun schappen met gewone sigaretten. Handig, ook, omdat de supermarkten dáárvoor straks – per 1 juli – een verkoopverbod opgelegd krijgen. Die supermarkten openen nu op hun beurt razendsnel ‘tabaksspeciaalzaken’, zo meldde het FD, direct naast hun filialen.

Van een afstandje bezien schiet ons antirookbeleid dus geen meter op. Financiële belangen wegen in ons land altijd zwaarder dan de gezondheid van onze kinderen. Want wat zegt het kabinet? Dat legt de schuld bij de bureaucratie. De vape-handelaren en supermarktketens aan banden leggen met een vergunningstelsel is ‘te complex en te duur’.

Leesplezier eruit geramd

Ondertussen, op school… daalt de leesvaardigheid van Nederlandse tieners dramatisch. Uit de meest recente cijfers blijkt dat één op de drie 15-jarigen onvoldoende kan lezen en schrijven. En ja, ontlezing is een wereldwijd probleem, maar bijna alle EU-landen scoren beter dan Nederland.

De oorzaak: onze lesmethodes. Die trainen kinderen om ‘signaalwoorden’ en ‘kernzinnen’ in een verhaal te detecteren. Daarmee wordt het leesplezier en tekstbegrip er vakkundig uitgeramd, zoals veel voorleesvaders en -moeders (onder wie ikzelf) kunnen bevestigen. Beleidsmakers weten dit al jaren, en de cijfers zijn steeds alarmerender. Toch houden commerciële bedrijven alle vrijheid om naar eigen inzicht de leesmethodiek te ontwikkelen: volgens onderzoek van Investico profiteren zij van een markt zonder drempels. Zelfs de overheidsdienst die scholen begeleidde bij de selectie en keuring van de leesmethodiek is geprivatiseerd. Volgens een oud-ambtenaar is ‘alle sturing op inhoud verdwenen.’

En wat doen we ertegen? We wijzen naar ouders die niet genoeg zouden voorlezen. En naar de mobiele telefoon.

‘In de strijd om de gunst van de kiezer lijkt het welhaast een aanbeveling om niet te intelligent over te komen’

We horen steeds meer politieke partijen schamperen dat je je ‘boerenverstand’ moet gebruiken en dat oplossingen simpel moeten zijn. In de strijd om de gunst van de kiezer lijkt het welhaast een aanbeveling om niet te intelligent over te komen. Dat stemt zorgelijk. Want het ontrafelen en aanpakken van oorzaken is ingewikkeld. Het vraagt tijd, moeite en intelligentie. Bovenal vraagt het de moed om een moreel standpunt in te nemen én om kiezers niet naar de mond te praten. Zonder die moed blijven kinderen de speelbal van fabrikanten en handelaren.

Julia Wouters is coach, politicoloog en publicist en voormalig politiek adviseur van Lodewijk Asscher (PvdA).

Deze column verscheen in het FD van 20 januari 2024

Geen baan zo belangrijk als die van Kamervoorzitter

Illustratie: Sébastien Thibault voor Het Financieele Dagblad

Onze Tweede Kamer kreeg donderdag een nieuwe voorzitter in de persoon van Martin Bosma van de PVV. Met 75 stemmen won Bosma van Kamerlid Tom van der Lee (GroenLinks-PvdA). Veel media duidden de stemming als een keuze tussen links en rechts, wat natuurlijk voorbijgaat aan het feit dat de voorzitter zich volstrekt neutraal dient te tonen.

Het valt op dat weinigen meer weten wat nu echt de taak van de Kamervoorzitter is. Het Reglement van Orde van de Tweede Kamer biedt hiervoor slechts een summiere leidraad. Dat is niet per se slecht: als alles is vastgezet in regeltjes, zegt hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voermans, maak je het moeilijker om tot compromissen te komen.

Zelfs het spreken via de Kamervoorzitter is nergens vastgelegd, terwijl de gedachte erachter toch van groot belang is. Spreken via de voorzitter maakt het debat minder persoonlijk. Het maakt dat je je toon matigt en je woorden zorgvuldiger kiest. De voorzitter is immers slechts de intermediair, en geen politieke tegenstander.

De schraalheid van het Reglement veronderstelt een diepgeworteld en gedeeld besef van onderliggende normen. Maar het tegendeel is waar. Dat besef staat onder druk, ook ten tijde van vorige kabinetten, ook in de Eerste Kamer, ook op de ministeries. Ambtenaren worden zelfs op cursus gestuurd nu de Raad voor het Openbaar Bestuur — na het toeslagenschandaal — constateerde dat hun ‘rechtsstatelijke bewustzijn soms tekortschiet’. En onder jongeren is de kennis over onze democratie en rechtsstaat minimaal, bleek uit recent onderzoek.

‘De schraalheid van het Reglement veronderstelt een diepgeworteld en gedeeld besef van onderliggende normen’

We lijden aan normerosie, stelt universitair hoofddocent rechtsfilosofie en burgerschap Tamar de Waal. Zij haalt John Stuart Mill aan, die in On Liberty de term ‘dood dogma’ introduceert. Dat is het gevaar dat we niet meer met elkaar over onze belangrijkste overtuigingen spreken, omdat ze ‘gewoon’ belangrijk en waar worden geacht. Juist dan loop je als samenleving het risico dat men de principiële waarden vergeet die eraan ten grondslag liggen.

We hebben het allemaal te vanzelfsprekend gevonden. We hebben zó weinig met elkaar gepraat over onze democratische rechtsstaat, over wat die precies is en waarom hij zo belangrijk is, dat hij niet meer bij ons is verinnerlijkt.

‘Heel vervelend’

De werkwijze van oud-Kamervoorzitter Vera Bergkamp is hiervan een illustratie. Telkenmale versmalde zij een maatschappelijk en politiek probleem tot een persoonlijk probleem tussen Kamerleden. ‘Heel vervelend’ vond ze het dat Kamerlid Nilüfer Gündogan met haatmails uit de hoek van Denk en FvD werd geïntimideerd. Dat FvD’er Gideon van Meijeren in reactie zei juist ‘trots’ te zijn op zijn ‘achterban’, deed volgens Bergkamp ‘de Kamer geen goed’. In plaats van trefzeker in te grijpen tijdens het debat, ging Bergkamp naderhand Gündogan troosten.

In haar afscheidsinterview met het AD geeft Bergkamp geen blijk van voortschrijdend inzicht. Ze kijkt terug op het Kamerdebat waarin FvD-voormanThierry Baudet insinueerde dat Sigrid Kaag een spion was, en het voltallige kabinet de plenaire zaal verliet. Ze zegt: ‘Ik dacht: wat maken jullie me nu? Ik ben hier mijn werk aan het doen en jullie lopen weg. (…) Ik probeerde eerst te de-escaleren.’

Sussen

Maar de-escaleren en sussen is niet de taak van de Kamervoorzitter. Grenzen stellen en ingrijpen wel. Dat vraagt natuurlijk overwicht en autoriteit. Maar bovenal een democratisch en rechtsstatelijk kompas waar je — ook midden in de nacht — in een fractie van een seconde op kunt varen. Over dat laatste kun je slechts beschikken wanneer je doordrongen bent van het besef dat je niet je persoon, niet je partij, maar een instituut vertegenwoordigt.

Het is de taak van de voorzitter om in de Kamer de voorwaarden te waarborgen om vrij te kunnen spreken. Niet op de persoon, en zeker niet bedreigend, ook niet in indirecte zin. In ons parlement mag je heel veel zeggen, meer dan het Openbaar Ministerie gewone burgers toestaat. Dat legt een grote verantwoordelijkheid bij de Kamer en de voorzitter.

Veel mensen vinden, ook bij het FD, dat de ‘Wildersrevolte’ een kans verdient en geloven dat onze Nederlandse democratie weerbaar genoeg is. Laten ook zij zich bewust zijn dat hiervoor een voorwaarde geldt. Het dode dogma dient afgestoft en weer springlevend te worden. Dat is zeker, maar zeker niet alleen, de verantwoordelijkheid van de Kamervoorzitter.

Laten we het gesprek over onze rechtsstaat en democratie weer volop met elkaar voeren, aan de eettafel, in de Kamer en in de krant. Want vanzelfsprekend is het allemaal niet.

Julia Wouters is politicoloog, coach en publicist. Zij was voorheen politiek adviseur van Lodewijk Asscher (PvdA).

Wilt u reageren?

De opinieredactie van het FD verwelkomt uw bijdrage. Stuur uw reactie naar opinie@fd.nl. De spelregels voor lezersbijdragen vindt u hier.

Zullen we politici eens hun werk laten doen?

Ten tijde van het kabinet-Rutte-Asscher (2012 – 2017) werkte ik als politiek adviseur voor Lodewijk Asscher vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bijna dagelijks verbaasde ik me erover dat PvdA-fractieleider Diederik Samsom zich zo liet afleiden door de waan van de dag. Vanuit de Tweede Kamerfractie van de PvdA was hij doorlopend bezig brandjes te blussen in de media. Zo werd elk willekeurig probleem zijn probleem en alles wat bijzaak was, hoofdzaak.

Niet veel later werd Asscher voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer en verhuisde ik met hem mee naar het Binnenhof. Al binnen enkele dagen ontdekte ik dat het daar nauwelijks te doen is om je hoofd bij de hoofdlijnen te houden. Ook wij werden onderdeel van de wurggreep waar pers en politici elkaar in gevangen houden.

En dat was ruim zes jaar geleden. In de tussentijd werd het er niet beter op, integendeel.

Dringen in de gangen

Het aantal Tweede Kamerleden is al bijna 70 jaar vastgelegd op 150. Maar het aantal politiek journalisten nam, met name de laatste jaren, enorm toe. Het zijn er inmiddels honderden. Zij verdringen zich in de gangen van het tijdelijke parlementsgebouw, en posten voor de deuren van Kamerleden.

Kamerleden die, door de versplintering van de fracties, steeds meer dossiers op hun bord krijgen en echt wel wat beters te doen hebben dan dagelijks tientallen journalisten te woord staan.

Journalisten die, door de toename van diverse soorten (sociale) media, als bloedhonden boven op elk akkefietje springen, om zo snel mogelijk het ‘nieuws’ hapklaar naar de lezer, kijker of luisteraar te brengen.

Meer rust

Niet eens zo heel lang geleden was al het nieuws dat na twee uur ’s middags gebeurde te laat om het Achtuurjournaal of de avondkrant nog te halen. Parlementair journalisten hadden dus vanzelf een verdere tijdshorizon, zo valt ook te leren uit het zeer lezenswaardige boek Wantrouwen in de Wandelgangendat journalisten Jan Tromp en Coen van de Ven onlangs uitbrachten.

Er was simpelweg meer rust om de grote lijnen in elk verhaal te zien. Nu is er elke minuut een update, kun je al wat gebeurt in vele liveblogs volgen en twitteren politieke duiders de betekenis van een gebeurtenis al terwijl die gebeurtenis nog volop aan de gang is.

En steeds vaker krijgt het vraagstuk ‘Waarom heeft u uw woordvoerder ontslagen?’ of ‘Heeft de fractievoorzitter ook nare karaktereigenschappen?’ meer aandacht en energie van pers en politici dan, ik noem waar wat, ‘Wat is uw visie op de ontwikkeling van de zorgkosten in het kader van de vergrijzing?’

Tegelijkertijd maak ik me er zelf ook schuldig aan, door in te gaan op hoe iemand het doet, in plaats van wat iemand doet. Zo zat ik nog niet zo lang geleden vrolijk aan een talkshowtafel te vertellen over de hondjes van Dilan Yesilgöz en Marjolein Moorman (die allebei Moos heten). Het kwam mij op een — terechte — oorwassing van wijlen Clairy Polak te staan.

Rel wordt crisis

Gelukkig zijn er ook nog genoeg journalisten die er, tegen de stroom in, in slagen hun hoofd bij de hoofdlijnen te houden. Het gaat me hier dus niet om personen, maar om het samenspel. Een discussie wordt een rel, een rel wordt bijna altijd een crisis. De journalisten verdringen zich om politici ter verantwoording te roepen over futiliteiten. In reactie neemt het aantal woordvoerders en spindoctors toe. Welhaast wanhopig proberen zij ‘regie op de boodschap’ te houden. Die krampachtige regiepogingen maken de journalisten weer argwanender en cynischer.

‘Wanhopig proberen woordvoerders en spindoctors ‘regie op de boodschap’ te houden’

Politici, op hun beurt, spelen dat spel dan weer mee. Bij de Algemene Politieke Beschouwingen horen we Kamerleden schande spreken dat Frans Timmermans van wachtgeld gebruikmaakt. Gemakshalve gaan ze eraan voorbij dat ook zijzelf campagne voeren op kosten van de belastingbetaler. Ze roepen bewindslieden op om te bezuinigen op communicatiemedewerkers op ministeries en ‘vergeten’ dat het merendeel van die medewerkers fulltime bezig is met de door diezelfde Kamer gevraagde transparantie en publieksvoorlichting. En natuurlijk met het te woord staan van het journalistenleger.

Zo versterken we allemaal het beeld van een politiek van leegheid en lelijkheid.

‘We missen visie!’, riep de journalistiek dertien jaar lang in koor in hun analyses van de kabinetten-Rutte. Geef politici dan ook de kans om die visie te ontwikkelen en uit te werken. Gun ze de tijd om diep in de dossiers te duiken. Neem zelf als pers daar ook flink de tijd voor. Journalisten die zich verdiepen, stellen interessantere vragen.

Er is niks mis met politici kritisch te bevragen. Maar laat het alsjeblieft wel ergens over gaan. De kiezer zal ons dankbaar zijn.

Deze column stond eerder in het FD van 22 september 2023

Eindelijk, de vrouwen op het Binnenhof pikken het niet langer

De Finse premier Sanna Marin was in Berlijn, op het congres van Europese sociaaldemocratische partijen vorige week, een ware sensatie. Mijn timelinevulde zich met de ene na de andere vrouw die zich stralend met Marin liet fotograferen. Het tumult dat uitbrak door de uitgelekte video van een dansende Marin, bezorgde haar onder vrouwen een ware sterstatus. Dat kwam doordat ze volkomen authentiek op dat tumult reageerde, met een vanzelfsprekende autoriteit, met zelfvertrouwen en met humor. De Duitse krant Bild riep haar zelfs uit tot ‘coolste premier van de wereld’.

Marin is het soort politica dat weigert zichzelf geweld aan te doen. Ze weigert zich te voegen naar het beeld van hoe een politicus hoort te zijn en hoe een vrouw zich hoort te gedragen. Dat is slim, want die twee beelden zijn niet met elkaar te verenigen.

Daarmee staat Sanna Marin symbool voor de hoop dat het voor vrouwen in de politiek überhaupt mogelijk is om zichzelf te blijven. Hoop die we hard nodig hebben nu kort achter elkaar twee vrouwen uit ons eigen parlement zich gedwongen voelden hun werk neer te leggen.

Esther Ouwehand (Partij voor de Dieren) en Ockje Tellegen (VVD) kampen respectievelijk met overbelasting en een burn-out. Ze zijn niet de eerste en vast ook niet de laatste Kamerleden. Hun vertrek maakt pijnlijk duidelijk dat we nieuwe voorwaarden moeten scheppen om te zorgen dat onze politici het wél volhouden.

De situatie schreeuwt om betere ondersteuning voor Kamerleden, om minder nachtelijke debatten en om parlementariërs die zelf minder hijgerig achter elke bal aanhollen. Maar daarboven ligt het belang om te breken met de cultuur dat scheldpartijen en seksisme er voor politici nu eenmaal bij horen. En dat jij, als je daar niet tegen kunt, niets in de politiek te zoeken hebt. De cultuur van ‘If you can’t stand the heat, get out of te kitchen.’

Het goede nieuws: er is iets aan het veranderen. Ouwehand en Tellegen grepen hun vertrek aan om de giftige cultuur in de politiek te agenderen. Zij kregen bijval van Corinne Ellemeet, Tweede Kamerlid voor GroenLinks. Ja, het is hard werken in de politiek, schrijft zij op sociale media. ‘Maar wat er echt inhakt, zijn de haat, agressie, minachting en beledigingen die je regelmatig over je heen krijgt.’ Dat alles, zo stelt zij, maakt de Haagse werkomgeving ‘extreem onveilig’.

Vrouwen zijn ‘anders’

Als alles wat je doet verkeerd valt, je voortdurend ten prooi valt aan kritiek, onversneden vrouwenhaat of zelfs doodverwensingen, dan kan dat zich in je lichaam vastzetten. Het is zeker niet zo dat die haat en agressie alleen de vrouwen treft. Lees bijvoorbeeld eens de bloemlezing van reacties die minister Hugo de Jonge op Twitter zette. Toch blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht dat vrouwen in de media meer en harder worden geraakt. Dat geldt niet alleen voor de bagger op sociale media. Politicoloog Zahra Ruderkamp onderzocht hoe traditionele media omgaan met vrouwelijke politici. Haar onderzoek laat zien dat ook deze media harder over vrouwen oordelen en vooral gericht zijn op hun ‘anders-zijn’.

Die conclusie is extra zuur omdat deze maand uit grootschalig internationaal onderzoek van Plan International blijkt dat meisjes en jonge vrouwen zich massaal uitgesloten voelen door de politiek. Zij herkennen zich niet in hun politieke leiders en zien hun belangen nauwelijks vertegenwoordigd. In Nederland was de opkomst van vrouwen bij de Gemeenteraadsverkiezingen in maart bijna 5% lager dan die van mannen. Tegelijkertijd was de actie ‘Stem op een Vrouw’ om het aantal vrouwen in de Gemeenteraden te vergroten, een succes: 459 vrouwen extra behaalden een zetel. Zo steeg het percentage vrouwelijke raadsleden van 37% naar 41%. De Volkskrant kopte van de weeromstuit dat vrouwen de gemeenteraden ‘bestormden’. Een term die toch eerder aan de bestorming van het Capitool doet denken dan aan een bescheiden toename van 4%. Het illustreert dat vrouwen in de politiek nog steeds gelden als uitzondering op de norm.

‘De opkomst van vrouwen bij de Gemeenteraadsverkiezingen was bijna 5% lager dan die van mannen’

En dan hebben we het nog niet eens over vrouwen van kleur. Zo begeleidde ik onlangs een groep vrouwen op een rondleiding door de Tweede Kamer. Toen we op de publieke tribune het vragenuurtje wilden bijwonen, sloot de deur vlak voor de neus van de vijf zwarte vrouwen in het gezelschap. Pas nadat duidelijk werd dat ze bij onze groep hoorden, mochten ze plaats nemen op de ruim aanwezige vrije plekken. Een pijnlijk voorbeeld dat een groepje vrouwen van kleur in het gebouw van onze democratie nog dermate ongewoon is dat de bode ze aanzag voor onruststokers.

Wat gaan we doen aan the heat in the kitchen? Met elkaar kunnen we de keuken verbouwen tot een meer welkome plek. Je hoeft er helemaal niet tegen te kunnen. Je mag je uitspreken. En op die manier werk je aan een nieuwe norm. Wees jezelf, voel het recht om dat te zijn. Kies je pad bewust, zodat je bij kritiek weet dat dit is waar je voor gekozen hebt, en je er dus niet zo makkelijk vanaf te brengen bent. Word geen kopie, probeer niet in te vullen hoe je denkt dat het hoort, of te voldoen aan wat je denkt dat er van je verwacht wordt. Kijk waar dat Liz Truss heeft gebracht; door te kiezen voor een Thatcher-imitatie bewerkstelligde zij haar eigen ondergang.

Wanneer je als vrouw trouw blijft aan jezelf en opeist dat je jezelf kunt zijn, gaat er een nieuwe wereld open. Het zal de haatzaaiers en seksisten niet doen verstommen. Maar de kans is groot dat je uitgroeit tot inspiratiebron en voorbeeld voor velen. Kijk maar naar politieke rocksterren als Sanna Marin, Alexandria Ocasio-Cortez, Stacey Abrams en Jacinda Ardern.

‘Je hoeft er helemaal niet tegen te kunnen. Je mag je uitspreken. En op die manier werk je aan een nieuwe norm’

Er zijn vast maatregelen te bedenken om de drek op sociale media aan te pakken. Maar het begint ermee dat je je uitspreekt. Met elkaar en in het openbaar. Steun elkaar. Zeg dat dit er niet bij hoort. Dat het moet en zal veranderen, omdat de politiek een plek hoort te zijn waar je mens mag zijn, vrouw mag zijn.

Corinne Ellemeets oproep tot meer respect riep, niet verrassend, veel scheldreacties op. Het vergt moed om je uit te spreken, en ik ben haar dankbaar dat ze het doet. Net zoals ik haar dankbaar ben dat ze zogenoemde ‘vrouwenkwaaltjes’ op de politieke agenda zet, zoals de overgang en endometriose. Ook dat levert haar spot op. Maar voor mij, en voor veel andere vrouwen, toont dat juist aan dat de politiek een plek is waar vrouwen broodnodig zijn en thuishoren.

Julia Wouters is politicoloog, coach en publicist.

Deze column verscheen in het Financieele Dagblad van 22-10-2022

Probeer het eens met de waarheid

Twintig jaar geleden overleed Pim Fortuyn. Terecht hebben we hem deze weken daarom veel gezien in kranten en op televisie. Dat komt ook doordat veel journalisten zijn opkomst intensief hebben meebeleefd. Menig chef van de Haagse redactie stond er destijds als groentje met de neus bovenop.

Ook ikzelf werkte in de jaren 00 als beginnend parlementair verslaggever, bij RTL Nieuws. Ik was in het Gooiland Theater toen Fortuyn lijsttrekker werd van Leefbaar Nederland. Toen hij tijdens ‘de nacht van Fortuyn’ weer uit die partij werd gegooid, stond ik buiten te posten bij het flatje van woordvoerder Kay van der Linden. In Nieuwspoort rook ik de walgelijke geur van de taart die hij in z’n gezicht gesmeten kreeg. Ik stond op het Mediapark toen een ambulance zijn levenloze lichaam afvoerde.

Al die gebeurtenissen volgden elkaar in razend tempo op. En in een oogwenk bleek alles anders te zijn dan we zo lang gedacht hadden.

Het maakte op mij een onuitwisbare indruk. Bovenal leerde Pim Fortuyn me een politieke les die ik nooit vergeten ben: de waarde van authenticiteit. Nog elke dag bepaalt dat mijn kijk op politiek en communicatie.

Als junior Haags verslaggever begeleidde ik Frits Wester naar zijn optreden bij talkshow Barend & Van Dorp. Voor de uitzending was er opgewonden gezoem op de redactie. Fortuyn zou die avond te gast zijn en Frits Barend en Henk van Dorp wilden hem confronteren met het gerucht dat hij homoclubs frequenteerde én een voorliefde had voor jonge Marokkaanse jongens. Hiermee zouden ze Fortuyn ‘ontmaskeren’ voor zijn achterban, voor wie dit toch zeker een brug te ver zou zijn.

In de uitzending doofde die opzet uit als een nachtkaars. Fortuyn barstte bij de confronterende vragen in schaterlachen uit. ‘En dan zeggen ze van mij dat ik een racist ben, terwijl, ik neuk met ze!’ Hij vertelde een gezonde, ongebonden man te zijn en niet in te zien waarom dat niet zou mogen. Weg was het onderwerp. De heren presentatoren zaten er wat beteuterd bij.

Die openheid over zijn seksleven was voor Fortuyn geen baldadige bui, maar kwam voort uit de doorleefde overtuiging dat hij niets had om zich voor te schamen. Want ook bij andere gelegenheden vertelde hij met trots over zijn seksuele voorkeur. Hij leek er lol in te hebben dat dat mensen soms te ver ging. ‘Heb ik weleens eerder met moslims gesproken? Ik ga zelfs met ze naar bed, meneer de imam.’ antwoordde hij op een vraag van imam Abdullah Haselhoef.

‘Fortuyn had de doorleefde overtuiging dat hij niets had om zich voor te schamen’

Ook in meer alledaagse confrontaties gleed kritiek van hem af. Op het commentaar van journalisten dat hij nogal kinderachtig was weggelopen bij een debat met GroenLinks-lijsttrekker Paul Rosenmöller, antwoordde hij: ‘Ik ben ook maar een man die kwaad kan worden en driftig is. Op zo’n moment ben ik met mijn eigen emoties bezig.’

Fortuyn was uitzonderlijk weerbaar, omdat de man volstrekt authentiek was. Een wufte en geaffecteerde dandy. Met zijn tuttige hondjes, sigaar en Bentley was hij bepaald geen man van het volk. Maar hij werd op handen gedragen, juist door mensen die hun vertrouwen in de politiek verloren waren.

Inmiddels is politieke beeldvorming een Haagse obsessie geworden. Zie het toeslagenschandaal. Zie ook de ‘functie elders’, met de val van het kabinet en een eindeloze formatie tot gevolg. Sywert-gate. De misstanden bij D66. Hoeveel ellende hadden politici zichzelf en het land kunnen besparen door gewoon een eerlijk antwoord op vragen te geven?

We zien ze vooral bezig met gladstrijken. De bal voor zich uit schoppen, zodat een probleem weer even weg is. Als het er maar goed uitziet. Maar het probleem is dat iedereen het doorheeft.

‘Democratie is niet voor bange mensen’, zeggen politici vaak. En toch wordt Den Haag bevolkt door bangeriken. Kopschuw voor de kop boven het interview. Doodsbang om een uitglijer te maken.

Maar mensen verwachten helemaal niet dat Mark Rutte perfect is. We willen dat hij oprecht is. Mensen eisen niet dat Hugo de Jonge ons foutloos door een pandemie leidt. We willen dat hij eerlijk is over zijn fouten, en dat hij ervan leert. We willen dat Sigrid Kaag ergens in gelooft en daarvoor gaat staan. Het vertrouwen in de politiek is niet laag omdat politici fouten maken, maar omdat ze die niet toegeven. Omdat ze eromheen praten. Met de woede bij de persconferentie van D66 als laatste kookpunt en dieptepunt.

Na twintig jaar lijken bewindslieden en hun voorlichters nog niet te begrijpen dat de boosheid van het volk en de pers wordt opgepord door gebrek aan oprechtheid en eerlijkheid. Leer van Fortuyn: probeer het eens met de waarheid. Als je je door angst laat leiden, krijg je precies waar je bang voor bent.

We hebben ook een witte man mét haar

‘Ik zie geen vrouwen. Je kunt niet spreken van een heel divers college, hoe komt dat?’ vraagt een verslaggever bij de presentatie van het coalitieakkoord van de gemeente Zuidplas. De onderhandelaars – vijf witte mannen van zekere leeftijd – barsten in lachen uit. De formateur antwoordt dat als er vrouwen zouden zijn voorgedragen ‘niemand van de partijen daar a priori nee tegen zou hebben gezegd.’

Benno de Ruiter (CDA) vult aan dat hij het prima vindt als vrouwen zich kandideren voor het wethouderschap, ‘maar als dat niet het geval is kan je ook geen vrouwen aandragen.’ Hij lijkt tevreden met deze robuuste logica. Ferry van Wijnen (VVD) kan melden dat er bij hun wethouderskandidaten wél een vrouw zat, ‘maar daar is de keuze niet op gevallen’.

En zo komt het dat de enige zichtbare diversiteit in het college van Zuidplas een VVD’er is mét haar. Een welkome afwisseling. Alle overige fractievoorzitters en wethouders zijn kale, witte mannen. Hun coalitieakkoord draagt overigens trots het motto ‘Ruimte voor Iedereen’.

Het zou om te lachen zijn als het niet zo pijnlijk was. Want Zuidplas is slechts één voorbeeld uit vele gemeentes. Op Twitter verzamelt @NicolienBadura foto’s van net gevormde colleges door het hele land. Haar plaatjes van blije mannen in blauwe pakken illustreren het onderzoek van Marcia Nieuwenhuis voor het AD. Daaruit blijkt dat het percentage vrouwen in de nieuwe colleges blijft steken op 27% en dat bij de laatste telling maar liefst 46 van de 154 gemeenten alleen mannelijke wethouders hebben.

‘Ik ben het moe steeds weer uit te leggen dat diversiteit in het bestuur beter beleid oplevert’

Uit interviews voor mijn boek ‘De Zijkant van de Macht, waarom de politiek te belangrijk is om aan mannen over te laten’ (2018) bleek dat vrijwel alle vrouwelijke politici aanvankelijk grote twijfels hadden of ze geschikt waren voor de politiek. Geen wonder, ze herkenden zich nauwelijks in het prototype politicus. Het was door overtuigingskracht van buitenaf dat deze vrouwen tóch de stap zetten.

Vier jaar later blijkt dit simpele inzicht nog amper doorgedrongen tot de zelfingenomen politieke kaste van witte mannen. Ze lijken daadwerkelijk te geloven dat zij het best mogelijke bestuur vormen met de reproductie van mannen als zijzelf.

Ik ben het moe steeds weer uit te leggen dat diversiteit in het bestuur beter beleid oplevert. Dat onze democratie er baat bij heeft als zoveel mogelijk Nederlanders zich herkennen in hun bestuurders. Onderhand is het gewoon gênant. Gelukkig vonden de journalisten in Zuidplas dat ook.

Column verscheen in het Financieele Dagblad 3-6-2022

Zeikwijven, huilebalken, ga toch koken! Waarom vrouwelijke politici een buitensporige bak drek over zich heen krijgen – en wat daar aan te doen is

null

Online haat

Beeld Brechtje Rood
 

Rutte IV wil 50 procent vrouwen in het kabinet. Maar online haat maakt het moeilijk voor vrouwen om volwaardig mee te doen aan het publieke debat. In andere landen trokken vrouwelijke politici zich al terug.

‘Deze Palestijnen-hoer mevrouw Kaag spreekt niet namens mij.’ ‘@Lisawesterveld Zeikwijven, doe gewoon en je hebt nergens last van zielige huilebalken.’ ‘@PloumenLilianne Ga toch koken, mens!’ Met de misogyne berichten die vrouwelijke politici op sociale media ontvangen kun je kranten volschrijven.

Iedereen die zich in het publieke debat mengt kan doelwit worden van online haat. Maar studies, experts en ervaringsdeskundigen zeggen dat vrouwen buitensporig vaak worden getroffen, en dat het bij hen vaak specifiek over hun vrouw-zijn gaat.

Zo is haat jegens vrouwelijke politici in 40 procent van de gevallen gericht op hun gender, en zijn ook hun leeftijd en lichaam populaire doelwitten voor agressie. Dat bleek eerder dit jaar uit onderzoek door de Utrecht Data School samen met De Groene Amsterdammer.

In de aanloop naar de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen onderzochten zij hoeveel haat vrouwelijke kandidaten op Twitter kregen. Eén op de tien tweets aan de vrouwen was haatdragend of agressief. De inhoud varieerde van simpele seksistische opmerkingen over ‘de kakelkipjes van de @VVD’, tot doodsbedreigingen en verkrachtingsfantasieën.

Vrouwelijke politici trekken zich terug

De trend beperkt zich niet tot Nederland. In 2019 vertrok Amerikaans congreslid Katie Hill, in haar eigen woorden “vanwege de duizenden verachtelijke, bedreigende e-mails, telefoontjes en sms’jes die me hebben doen vrezen voor mijn leven en de mensen om wie ik geef.” Het jaar daarop toonde een onderzoek dat vrouwelijke congresleden in de VS meer online haat ontvangen dan mannen.

Hetzelfde beeld komt naar voren uit studies in onder meer Denemarken, Oekraïne, Zimbabwe en het Verenigd Koninkrijk. Bij de vorige Engelse verkiezingen in 2019 trokken achttien vrouwelijke Kamerleden zich terug, waarbij meerdere online haat noemden als reden. “Ik ben uitgeput door de schending van mijn privacy, narigheid en intimidatie die alledaags zijn geworden”, verklaarde Brits Kamerlid Heidi Allen bijvoorbeeld.

Ook als vrouwen niet vertrekken uit de politiek, kunnen dreigende berichten er wel voor zorgen dat ze een stapje terug doen in het debat. Journalistiek platform Politico sprak in maart met Finse vrouwelijke politici die banger waren geworden om zich uit te spreken over controversiële onderwerpen.

Geen recht op een mening

Politicoloog Julia Wouters vindt hun reactie niet verbazend. Vrouwen doen zwijgen is volgens haar een van de doelen van online misogynie. “Mannelijke politici krijgen ook dreigementen, maar de manier waarop is anders”, zegt zij.

“Als vrouw gaat het weinig over wat je zegt, en altijd over hoe je het zegt of hoe je eruitziet. In plaats van inhoudelijke reacties, is de boodschap: ‘Hoezo denk je dat jij hier een mening over mag hebben?’ Als ik een man in de rede heb gevallen, krijg ik het commentaar dat ik te veel aan het woord ben, terwijl mensen dat bij een man veel minder snel denken.”

Veel vrouwen houden hun mond over misogyne berichten omdat het anders nog erger wordt, vertelt Wouters. “Als je er wat van zegt, krijg je te horen dat je niet moet zeiken. Dus zijn vrouwen zijn daar heel voorzichtig mee. Niet uit lafheid, maar uit strategie.”

De hardste beledigingen en bedreigingen vormen volgens haar niet altijd het grootste probleem. “Grof seksisme is naar en verwerpelijk, maar niet verwarrend. Subtiel seksisme is ingewikkelder. Kijk naar de kritiek op Sylvana Simons. Sommige mensen zeggen dat ze een vuile hoer is die terug naar haar eigen land moet. Dat is kwetsend, maar je weet in ieder geval dat je te maken hebt met een vrouwenhater of gefrustreerde ‘toetsenbordridder’. Maar wanneer mensen zeggen dat Simons onbeleefd is en op haar beurt zou moeten wachten, gaat het ineens over nederigheid.

“Dat gaat meer onder je huid zitten. Als je het niet herkent als seksisme, kun je gaan denken dat je je anders moet opstellen om minder kritiek te krijgen. En dan ga je jezelf saboteren, afremmen. Denk aan Hillary Clinton, die zich een hele tijd verloor in allemaal adviezen over hoe ze zich als vrouw het beste kon kleden, hoe ze moest spreken en hoe ze haar haar moest dragen. Zo kan subtiel, alledaags seksisme je zelfvertrouwen ondermijnen.”

Ook vrouwen kunnen dat probleem in stand houden. “Uit een anonieme enquête bleek dat vrouwen in de Eindhovense gemeenteraad zich minder serieus genomen voelden dan mannen. Vervolgens zei een andere vrouw uit dezelfde raad dat ze het zich niet moesten aantrekken. Maar daar heb je niks aan. Het gaat er niet om of je ’s avonds ligt te huilen of niet, het gaat erom dat je belemmerd wordt volwaardig mee te doen in het debat.”

Waarom vrouwen niet bij talkshows aanschuiven

Ondermijning van vrouwelijke politici is extra actueel door de belofte dat het nieuwe kabinet minstens voor de helft uit vrouwen zal bestaan. Maar het fenomeen vindt net zo goed buiten de politiek plaats, vertelt mediawetenschapper Mark Deuze. “Ik doe onderzoek naar online haat tegen journalisten. Ook daar krijgen vrouwen onevenredig veel ellende over zich heen gestort.”

Deuze hoort het ook van redacties van talkshows. “Elk jaar krijgen praatprogramma’s het verwijt dat er alleen mannen aanschuiven. Maar veel vrouwen die door redacties worden uitgenodigd zeggen: dan ga ik één avond zitten en moet ik drie dagen ellende over mezelf lezen, dank je de koekoek. En geef ze maar eens ongelijk. Maar hierdoor lijdt de pluriformiteit in het Nederlandse debat er echt onder.”

Dat vrouwenhaat online zo ver gaat, heeft volgens Deuze onder meer te maken met empathie. “Als wij zien dat wat we zeggen een ander pijn doet, schrikken we daarvan. Dat is hoe we van kinds af aan empathisch leren zijn. Maar online zien we dat niet. Uit onderzoek door Facebook blijkt dat de mensen áchter online haat zich vaak moeilijk kunnen voorstellen dat ze echt iemand kwetsen.”

Sommige online groepen zijn gericht en anti-vrouw. Zo heb je de zogeheten incel-beweging – mannen die ongewenst celibatair zijn – en ‘Men Going Their Own Way’, die juist zeggen vrijwillig vrouwen af te zweren. Maar anti-feministische groepen zijn slechts het puntje van de ijsberg van vrouwenhaat, zegt Deuze. Het meeste komt van doorsnee mannen, “van FvD’ers tot SP-stemmers”.

‘Ik heb waarschijnlijk een fout gemaakt’

Dat ondervond BBC-journalist Marianna Spring. In oktober publiceerde zij een verhaal over de beledigende berichten die zij dagelijks ontvangt – berichten waarin mensen haar bedreigden met alles van verkrachting tot onthoofding.

Toen ze een van de mildere afzenders benaderde, een man van in de 60, zei deze eerst dat de berichtjes volgens hem wel meevielen. Maar toen Spring hem vertelde hoeveel vrouwenhaat ze ontving, veranderde hij van gedachten: “Ik heb waarschijnlijk een fout gemaakt, ik ben een redelijk eerlijke kerel.”

Spring merkte ook dat sociale media maar weinig vrouwenhaat verwijderen. Ze rapporteerde het aan Facebook als mensen bijvoorbeeld zeiden dat ze naar haar huis zouden komen om haar te verkrachten, maar maanden later stonden de berichten nog steeds online.

Volgens mediawetenschapper Deuze is hier geen makkelijke oplossing voor. “Gebruikers zetten elke seconde zoveel online in zoveel talen, dat het niet door menselijke moderatoren valt uit te wieden. En als je het overlaat aan een algoritme, verdwijnen er ook veel berichten die niet misogyn zijn, bijvoorbeeld omdat ze woorden bevatten die in een andere context seksistisch kunnen zijn.”

Toch vindt hij dat het niet allemaal aan online platformen is toe te schrijven. “Laten we er duidelijk over zijn: sociale media vergroten vrouwenhaat uit, maar mannen zijn het probleem. Zij grijpen de vage richtlijnen van Facebook en andere bedrijven aan om samen hun eigen spelregels te vormen. Regels die ruimer zijn dan op straat. Dat gebeurt niet bewust, het is een psychologisch groepsproces.”

Drie vrouwelijke politici, drie soorten vrouwenhaat

Sigrid Kaag

In de aanloop naar de verkiezingen ontving D66-leider Sigrid Kaag in absolute aantallen van alle vrouwelijke politici de meeste online haat op Twitter (percentueel gezien was dat Kauthar Bouchallikht van Groenlinks). Die agressie vertaalde zich laatst naar de fysieke wereld, toen ze meerdere handgeschreven dreigbrieven ontving. ‘Zoals u ziet weten wij ook waar u woont’, begon een van de brieven.

Twee maanden eerder stond Kaag tegenover Erik van Z., die terechtstond omdat hij haar en Hugo de Jonge online met de dood had bedreigd. “Je kunt zeggen: trek het je niet aan, het hoort erbij, het is normaal, alle politici maken het mee. Maar het is niet normaal. Woorden doen ertoe”, zei Kaag in de rechtszaal.

Sylvana Simons

Tijdens een recente botsing tussen Sylvana Simons van Bij1 en commissievoorzitter Ockje Tellegen was volgens politicoloog Julia Wouters sprake van subtiele discriminatie. Simons wilde tijdens een vergadering een punt van orde maken over een opmerking die Harm Beertema van de PVV tegen haar maakte. Tellegen werd kwaad omdat de Bij1-leider niet wilde wachten tot ze het woord kreeg.

Op een gegeven moment zei Tellegen: “U spreekt via de voorzitter, dat is hoe wij het hier al jaren doen.” Die uitspraak is weliswaar niet expliciet discriminerend, maar werkt desondanks uitsluitend, zegt Wouters. Al dan niet bewust is het volgens haar een dominantiestrategie.

Lisa Westerveld

Bij de première van een documentaire over Jesse Klaver zat Lisa Westerveld in een rode jurk in de zaal. Journalist Jan Roos deelde een foto met de tekst ‘Goeie tetten in rood jurkje’. Vervolgens kreeg ze seksueel getinte berichten en bleven ingezoomde foto’s van haar decolleté opduiken op Twitter.

“Je voelt je aangeraakt, je voelt je bekeken”, zei Westerveld erover tegen De Groene Amsterdammer. “Moet ik echt in zo’n setting rekening houden met hoe ik precies zit?” Ook vertelde ze De Groene over seksuele berichten die gewelddadig van aard waren, zoals iemand die haar een dildo met weerhaken toewenste.

HERKEN DE DOMINANTIESTRATEGIEËN

Dit interview dat Wouter Boonstra met mij hield verscheen in Binnenlands Bestuur van 14-12-2021

De botsing in de Tweede Kamer tussen commissievoorzitter Ockje Tellegen (VVD) en Sylvana Simons (BIJ1) vorige week is een goed voorbeeld van een dominantiestrategie die regelmatig in de politiek wordt gehanteerd ten opzichte van minderheden, aldus politicoloog Julia Wouters van Democratie in uitvoering. ‘Als mensen zich bewust zijn van die strategieën, helpt dat het democratisch proces.’

In de documenten die vorige week bij de presentatie van de resultaten van de enquête onder Eindhovense raadsleden werden gepubliceerd stond een lijst van dominantiestrategieën. Hoe kwam u erbij om die bloot te leggen?
‘In 2018 publiceerde ik het boek “Zijkant van de macht: waarom de politiek te belangrijk is om aan mannen over te laten”, nadat ik twaalf jaar politiek adviseur was geweest van Lodewijk Asscher. Ik zag het aantal vrouwen in de Tweede Kamer in 2006 toenemen en was daar optimistisch over, maar in 2017 waren er juist minder vrouwen dan daarvoor. Ik wilde weten wat daarachter zat. De besluiten gaan namelijk wel over vrouwen. Ik merkte dat er in Nederland weinig onderzoek naar was gedaan. Er zijn veel boeken over vrouwelijk leiderschap, maar dat gaat vaak over: vrouwen moeten dit en moeten dat, zich duidelijker uitspreken, vaker hun vinger opsteken etc. Toen vond ik een theorie van de Noorse politica Berit Ås, sociaal psycholoog en de eerste vrouwelijke fractievoorzitter in het Noorse parlement. Zij merkte daar dingen op die ze kende uit de sociale psychologie en is dat toen gaan ordenen. Ze onderscheidde master suppression techniques, wat vrij vertaald neerkomt op “dominantiestrategieën”.’

En hoe werkt dat?
‘Als in een homogene groep een persoon anders is, dan gaat die homogene groep die ander eruit duwen met zinnen als: ‘zo doen we dat al jaren.’ Als mensen het anders doen, wordt hen verstaan gegeven: jullie begrijpen het niet, pas jullie aan. Die zie je heel erg in de politiek. Als je de statuur van een ander ondermijnt, dan is ingaan op de argumenten niet meer nodig. Dat gebeurt bij mannen onderling, maar bij vrouwen wordt het heel erg uitvergroot. Veel gebeurt onbewust, maar als je het herkent, dan is het gemakkelijker om het minder persoonlijk te maken. Dat is heel effectief, want je denkt steeds: ik moet veranderen. Als je de patronen herkent, dan kun je vaststellen: ik ben nieuw, ik ben anders, men moet nog aan mij wennen.’

Hoe heeft u dit in de Eindhovense raad aangepakt?
‘We hebben eerst een focusgroep van vrouwen laten kijken naar raadsvergaderingen. Zij wisten waar ze op konden letten, omdat ik ze een training had gegeven. Dit hebben we weer in do’s en don’ts vertaald voor de raad. Ik heb de raadsleden duidelijk gemaakt dat het effectiever is je ervan bewust te zijn dat er anders wordt gereageerd. Het is ook vaak zo dat een vrouw die hard onderhandelt minder krijgt dan een man die hard onderhandelt, want we hebben moeite met vrouwen die hard onderhandelen, of ze wordt ook beoordeeld op uiterlijk. Dat is niet persoonlijk, dus zoek het meer buiten jezelf. In Eindhoven wordt dit in de gemeenteraad hopelijk nu meer op gelet.’

Wat zijn de meest voorkomende dominantiestrategieën in vergaderingen?
‘Negeren en belachelijk maken komt het meest voor. Negeren gebeurt meer in fractievergaderingen. Iemand lijkt minder belangrijk, omdat die er niet uitziet als de belangrijkste mensen. Mensen gaan dan koffie halen, op hun telefoon kijken of met elkaar kletsen. Zij worden ook vaker geïnterrumpeerd en er wordt niet gereageerd als zij wat zeggen. Iemand anders kan dan vijf minuten later precies hetzelfde zeggen als jij, en net doen alsof jij het niet hebt gezegd, waarna die nog steun krijgt ook.
Bij het belachelijk maken moet ik denken aan de botsing tussen Mark Rutte en Sylvana Simons in de Tweede Kamer. Rutte zei: mevrouw Simons, wat doet u geïrriteerd? Ook wordt vaak gezegd: word niet zo emotioneel. Of een omfloerste omschrijving van: moet je ongesteld worden? Of mensen gaan met hun ogen rollen. Bij het analyseren van raadsvergaderingen kwam ik ook de volgende zinnen tegen: ik begrijp dat het voor u moeilijk is om te luisteren. Of: als u de stukken had gelezen, dan…’

Hoe reageren vrouwen hierop?
‘Sommige mannen zeggen ‘jongedame’ tegen een vrouwelijk raadslid. Een commissievoorzitter zei tegen mij dat ze dat juist leuk vond, omdat ze dan jonger werd geschat. Maar als je jonger gemaakt wordt, word je eigenlijk ook minder serieus gemaakt. Je ziet ook dat Sigrid Kaag als ‘heks’ wordt neergezet in de media. Of dat wordt gesproken over ‘gekijf’ en ‘babbelen’. Het maakt je als vrouw heel onzeker. Je druipt dan vaak af, want je denkt dat je iets verkeerds doet. Je ziet ook vaak dat vrouwen tussentijds stoppen. Het zit hem ook in schuld en schaamte: als je klaagt, dan ben je ook kwetsbaar: doe niet zo overgevoelig, trek het je niet zo aan. Vrouwen willen niet uitgemaakt worden voor zeur, dus dan zeggen ze liever niks terug, want anders krijg je weer backfire. Dat is geen zwakte, maar een strategie. Als je als raadslid zo wordt benaderd, weet je dat als je er wat van zegt de reactie is: wees niet zo overgevoelig. Dan moet je daar op ingaan en daar hebben vrouwen niet altijd zin in.’

Geldt dit voor alle vrouwen?
‘Een VVD-raadslid zei in het Eindhovens Dagblad dat vrouwen het zich niet zo moeten aantrekken. Het is voor vrouwen het veiligst om te zeggen: het valt wel mee, ik heb er geen last van. Zo probeer je namelijk bij de inside group te horen. Maar alleen vrouwen die daar goed tegen kunnen overleven dan. Als je gelijke aantallen vertegenwoordigt wilt zien, dan moet je vrouwen die het zich wel aantrekken steunen. En dan niet zeggen dat ze ‘dan niet geschikt zijn voor de politiek’. Het zijn strategische keuzes: een vrouw die er wat van zegt, wordt als zeikerd weggezet. Daar hebben ze niet altijd zin in. Vrouwen voelen zich hierdoor geremd en waarderen het dan als de burgemeester of de voorzitter zegt: dit kan kwetsend overkomen, wilt u met respect met elkaar omgaan.’

Uw mede-onderzoeker Marije van den Berg zei dat vrouwen dat juist niet willen dat de voorzitter het voor ze opneemt, omdat ze niet ‘gered’ willen worden.
‘Nee, je wilt niet gered worden, je wilt krachtig zijn. De voorzitter doet er dan ook goed aan het meer over het in meer algemene termen over onacceptabel gedrag te hebben dan het voor iemand specifiek op te nemen.  Voor vrouwen zelf is het een catch 22. Je moet je nek uitsteken als je het wilt veranderen, maar dan krijg je weer kritiek dat je ertegen moet kunnen: het is niet goed of het deugt niet. Een vriendin van mij is lijsttrekker van een partij en liet een focusgroep onderzoek doen naar de verkiezingsposter. Uitkomst: van de poster waarop ze lacht vinden ze dat ze wel heel graag aardig gevonden wil worden en op de foto waarop ze niet lacht zeggen ze: ze zou moeten lachen.’

Het is niet goed of het deugt niet is een dominantiestrategie buiten de vergadering. Informatie achterhouden ook. Hoe gaat dat?
‘Bij informele voor- en na-overleggen worden vrouwen vaak ook uitgesloten. Even een borrel doen achteraf gebeurt regelmatig. Vrouwen gaan dan vaak braaf naar huis, want er is een oppas of ze voelen zich schuldig dat ze van huis zijn. Informeel worden dan dealtjes of steun geregeld. Dat gebeurt niet eens bewust, maar het zijn wel altijd dezelfde mensen die buiten de boot vallen. Die vergeten ze dan ook in de cc te zetten.’

Mensen die dominantiestrategieën hanteren zijn zich er dus meestal niet bewust van? Of wordt het ook wel willens en wetens gedaan?
‘Soms zijn mensen zich er wel bewust van, maar vaak niet zo. Het zijn onbewuste vooroordelen: zo doen we het hier nu eenmaal, al jaren. In de discussie tussen Simons en Tellegen zag je dat ook: dit is hoe we het hier altijd doen. Dan roept iemand racist, maar dat heeft geen zin. Sylvana is anders door haar politieke stijl, maar ook haar huidskleur. Er zit dus een racistische component in, maar iemand voor racist uitmaken doe je niet zo snel. In het Eindhovense onderzoek zag de helft van de mannelijke raadsleden niet zoveel meerwaarde in meer vrouwen in de raad: ik ben toch één van de good guys? Ik doe het toch voor heel Eindhoven? Ook voor de vrouwen. Ik ben daar prima toe in staat. Maar: je hebt blinde vlekken. Daarom is het meer diversiteit in de raad zo belangrijk. Het is wel ingewikkeld. Simons maakt er een punt van en andere vrouwen zeggen: niet moeilijk over doen, zo doen we het hier. Dat is de dominantiestrategie. Je bent dan misschien geen racist, maar je sluit iemand wel uit.’

Wat valt ertegen te doen?
‘Door meer inclusief te vergaderen en meer mensen uit te nodigen anders te zijn. Pas het eens in een vergadering toe als die wordt afgesloten met: is iedereen het ermee eens? Het zijn steeds dezelfde mensen, die zich al hebben bewezen, die iets zeggen. Zij zitten in de inside group. Het is voor een nieuweling heel lastig. Die denkt: ik houd mijn mond wel. Je kunt de vergadering ook afsluiten met: heeft iemand iets aan te vullen? Of: kijkt iemand er anders tegenaan? Dit fenomeen zie je vaak in fractievergaderingen. Ockje Tellegen had moeten zeggen: “Dit is een punt van orde, u kunt niet iemand buiten de microfoon kleineren. Als u zich er niet aan houdt, dan moet u de zaal verlaten.. Iedereen moet zich hier veilig voelen.” De voorzitter moet het democratische proces waarborgen.’

Het tweede deel van uw document heet ‘democratische bril’. Hoe moeten we dat zien?
‘Als je inclusiever vergadert, krijg je ook betere besluitvorming. Er worden meer vragen gesteld en meer verschillende argumenten aangevoerd. Dat maakt de discussie veel rijker. Er zijn twee manieren om ernaar te kijken. De eerste is dat meer vrouwen in de raad een doel is. Maar wij zien het ook als middel om de democratische kwaliteit te verbeteren. Iedereen heeft er baat bij.’

We moeten ruimte geven aan de zachte krachten in Den Haag. Toon empathie en emotie

gastcolumn in de Volkskrant julia wouters

Het is allemaal veel te afstandelijk en rationeel op het Binnenhof. Neem een voorbeeld aan de Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern, stelt gastcolumnist Julia Wouters.

Jacinda Ardern, de premier van Nieuw Zealand Beeld Bloomberg via Getty Images
Jacinda Ardern, de premier van Nieuw ZealandBeeld Bloomberg via Getty Images

Een paar maanden geleden opende The New York Times een telefoonlijn. Ze vroegen lezers met kinderen daar te vertellen hoe het is om ouder te zijn in de coronapandemie.

Ouders belden vanaf het toilet, of zittend op de bodem van een kledingkast, om hun kroost te ontvluchten. Ze lieten hun emoties de vrije loop. Een groot gedeelte van de boodschappen die de bellers inspraken, bestaat uit ijzingwekkend geschreeuw. De bellers waren niet bij machte om hun frustraties, stress en wanhoop in woorden en coherente volzinnen te vatten.

Voor mij staan deze ouders symbool voor de angstige en emotionele tijden waarin we leven.

We hebben ons het afgelopen jaar telkens weer moeten aanpassen en niemand kan ons vertellen hoe lang de situatie nog gaat duren. We weten niet wat in de toekomst de effecten van de pandemie zullen zijn op ons leven en dat maakt ons bang en boos.

We kunnen ons het ene moment gedeprimeerd voelen en het volgende moment juist uitzinnig genieten van iets simpels als weer op een terras mogen zitten met een drankje, en de zon op onze snoet.

Ook in de politiek lopen de emoties hoog op. Maar de woede en verontwaardiging die we in de debatten zien, ontberen empathie voor de gevoelens van ons gewone burgers.

Ergens heeft het idee postgevat dat een serieus politicus rationeel en afstandelijk moet zijn.

Terwijl mensen zich zorgen maken over hun inkomen, hun (levens)werk, hun kinderen en hun geliefden, hun beknotte vrijheden en huidhonger, spreken onze politici over stappenplannen en routekaarten. Over de economie, het bedrijfsleven, de zorg en de onderwijsachterstanden. Aan de angst, de frustratie, de eenzaamheid, de wanhoop, besteden ze geen woorden.

Af en toe lezen ze een zin op die bedoeld is als warm, maar die niet uit hun hart komt, maar uit de pen van hun voorlichter. Hebben ze dan geen eigen ervaringen? Hoe gaat het met hun kinderen en ouders, met hun familie en vrienden?

Het lijkt wel of politici zichzelf opdragen zich los te koppelen van hun gevoelsleven.

Des te pijnlijker is het dat wanneer een politicus emoties toont, het meestal gaat over zijn of haar eigen lot. Deze week was dat demissionair minister Wouter Koolmees die aan tafel bij Op1 zei te zijn geëmotioneerd door de in zijn ogen onterechte kritiek op hem en zijn collega’s. ‘We krijgen het verwijt de oplossing actief te hebben tegengewerkt, en dat is niet waar. Daar ben ik best geëmotioneerd over.’ Het is niet verwonderlijk dat de slachtoffers op hun beurt weinig compassie voor hem konden opbrengen.

De populistische partijen slagen er als enige in woorden te geven aan onze emoties. Ze kanaliseren de woede en verontwaardiging. Hoewel dat oplucht, biedt het ons niet de troost waar we naar hunkeren. Het voedt onze onvrede en het cynisme. En daarmee groeit het wantrouwen en de teleurstelling die we voelen over een overheid die er niet voor ons is. Dat is een risico voor onze democratie.

Want ondanks steunpakketten en actieplannen en vaccinatiestraten, ondanks de enorme hoeveelheden geld die worden uitgetrokken, blijven we zitten met dat lege gevoel. Het ontbreekt aan iemand die met een hoopvol verhaal onze emoties kan raken. Ons kan optillen en ons vertrouwen geeft dat we gezien en gehoord worden.

Om in de beeldspraak van de ouders te blijven: We krijgen een hardvochtige vader en Kamerleden die reageren als opstandige pubers. Maar wie vertolkt de zachtaardige en zorgzame rol (m/v) van iemand die ons begrijpt en troost?

Als je je daar niets bij kunt voorstellen dan is het de moeite waard eens te kijken naar de manier waarop Jacinda Ardern, de premier van Nieuw-Zeeland dat doet. Ze laat zien hoe zachte kracht eruitziet. Ze praat alsof ze bij je op de bank zit, of ze een vriendin van je is en op warme en optimistische toon je moed inpraat. Ze toont begrip voor mensen die het moeilijk hebben. Ze besteedt veel woorden aan de gevoelens en twijfels van mensen.

Dat werkt helend en geruststellend.

Het is hoog tijd voor politici die weer persoonlijk durven te zijn. Die herkenbaar durven te zijn. Het is hoog tijd voor een politiek die misschien niet altijd overal een antwoord op heeft maar die met ons meeleeft, letterlijk.

Het is hoog tijd dat Den Haag kalmeert. Het is hoog tijd dat er meer ruimte komt voor zachte kracht, voor empathie en emotie.