Waarom in Amerika wél meer vrouwelijke politici komen en wat Nederland daarvan kan leren

Je krijgt niet zomaar meer vrouwen in de politiek, je moet ze actief werven en ze trainen, stelt Julia Wouters. Nederland kan daarbij leren van de Amerikaanse aanpak.

null Beeld null
Beeld Sara Gironi Carnevale

De 28-jarige Alexandria Ocasio-Cortez veroorzaakte eind juni een sensatie. Het lukte de politica uit de Bronx tegen alle verwachtingen in om bij de voorverkiezingen voor de Congresverkiezingen in de staat New York oudgediende Joseph Crowley te verslaan. Ook al was Crowle – blank, man, ervaren – de favoriet van de Democratische Partij en had hij een campagnebudget dat vele malen groter was dan dat van Ocasio-Cortez – hispanic, vrouw en onervaren.

Ocasio-Cortez is niet alleen anders dan traditionele Amerikaanse politici, ze presenteert zich ook op een manier die we totaal niet gewend zijn. In haar campagnefilmpje zie je hoe ze zichzelf voor de spiegel opmaakt en hoe ze op het metrostation haar hakken verwisselt voor comfortabele schoenen. Ze straalt uit: ik ben gewoon. Ik ben net als jij.

Bij de komende tussentijdse Congresverkiezingen in de VS is iets opmerkelijks aan de gang: het aantal vrouwen dat zich verkiesbaar heeft gesteld is groter dan ooit. Ook het aandeel ‘gekleurde’ vrouwen is opmerkelijk. In de staten waar de voorverkiezingen al achter de rug zijn, is 41 procent van de Democratische kandidaten vrouw. Van de kandidaten die het opnemen tegen een zittende kandidaat is bijna de helft vrouw. Alle records worden hiermee verbroken.

Ocasio-Cortez staat symbool voor al die kandidaten die zich ontworstelen aan alle campagnewetmatigheden. Neem Katie Hill (40) uit Californië die openlijk vertelt over haar ongewenste zwangerschap toen ze 18 was. Of Kelda Roys, kandidaat in Wisconsin, die halverwege haar campagnespotje haar baby krijgt aangereikt en onverstoorbaar doorpraat terwijl ze haar kindje de borst geeft. Of M.J Hegar, kandidaat in Texas. De getatoeëerde oud-legerpiloot noemt zichzelf ‘not your typical candidate’. Ze is naar eigen zeggen ‘een stoere moeder, een veteraan en een nogal kleurrijk persoon’.

Toegenomen activisme

Op het eerste gezicht lijkt de toename van vrouwelijke kandidaten het logische gevolg van de woede die het presidentschap van Trump bij veel vrouwen oproept. Dat hun activisme is toegenomen bleek onder meer uit de indrukwekkende opkomst bij verschillende vrouwenmarsen. In november wordt bepaald of Trump zijn Republikeinse meerderheid behoudt. Alle reden dus voor vrouwen om juist nu op te staan.

Maar zo simpel is het niet.

Uit onderzoek blijkt namelijk dat dat de verkiezing van Trump weliswaar 10 procent méér vrouwen heeft gemotiveerd om de politiek in te gaan, maar op 18 procent van hen juist het omgekeerde effect had: de politiek werd door de komst van Trump onaantrekkelijker. Netto is de politieke ambitie van vrouwen dus áfgenomen.

Dat effect zag je ook na de kandidatuur van Hillary Clinton en Sarah Palin in 2008. Met Clinton, Palin en Nancy Pelosi als vrouwelijke fractievoorzitter van de Democraten, was het aantal vrouwelijke rolmodellen groot. Daarvan zou je een positief effect verwachten.

Maar uit onderzoek in 2011 bleek dat de kandidatuur van Clinton en Palin vrouwen juist had afgeschrikt. Ze hadden het seksisme en de buitenproportionele nadruk op het uiterlijk van de vrouwelijke kandidaten gezien. En dat deed hun politieke ambities geen goed.

De politieke arena is er bepaald niet aantrekkelijker op geworden. En toch zien we dat deze Amerikaanse verkiezingen meer vrouwen dan ooit tevoren de stap zetten en zich verkiesbaar stellen.

Hoe komt dat? En wat verklaart hun succes?

Voor Nederland zijn dat relevante vragen. Maandag is het 100 jaar geleden dat Suze Groeneweg als eerste vrouw de Tweede Kamer in kwam. Sindsdien is het aantal vrouwen in de politiek gestaag toegenomen. Het gaat alleen wel erg traag en de laatste jaren is er zelfs sprake van een afname. Als het gaat om vrouwen in nationale parlementen, is Nederland gekelderd naar de 26ste plaats op de Wereldranglijst van de Inter-Parliamentary Union. In 2014 stond Nederland nog op de 16de plek. Het aantal vrouwelijke Kamerleden is na de laatste verkiezing teruggelopen tot 54 van de 150. Terwijl andere landen het steeds beter doen, gaan wij achteruit. In mijn boek De Zijkant van de Macht, dat ik gisteren uitreikte aan Kamervoorzitter Khadija Arib, ben ik op zoek gegaan naar oorzaken. 

null Beeld null
Beeld Sara Gironi Carnevale

Uit onderzoeken van de Amerikaanse politicologen Jennifer Lawless en Richard L. Fox blijkt dat onder mannen en vrouwen met precies dezelfde objectieve kwalificaties vrouwen veel minder snel denken dat ze geschikt zijn voor de politiek. Mannen vinden zichzelf ruim twee keer zo vaak ‘zeer geschikt’. Omgekeerd denken twee keer zoveel vrouwen als mannen over zichzelf dat ze ‘volstrekt ongeschikt’ zijn.

Uit hun onderzoek blijkt ook dat de kans dat een vrouw de politiek in gaat verdubbelt wanneer partijleden of activisten ze actief benaderen. Vrouwen hebben dus een zetje nodig. Maar, constateren Lawless en Fox, omdat ze beduidend minder vaak worden benaderd en gestimuleerd dan mannen, blijft veel potentieel onbenut.

Geschikt voor de politiek

Ook in eigen land bleek dat vrouwelijke raadsleden pas over deelname aan de politiek gingen nadenken, nadat iemand anders hen op dat idee had gebracht. (Vrouwenstemmen in de raad van Kennisinstituut Atria, 2016)

De gesprekken met politici die ik voor mijn boek heb gevoerd, bevestigen dat beeld. Verreweg de meesten van hen zijn er door iemand in hun omgeving van overtuigd dat ze geschikt waren voor een rol in de politiek.

Bescheidenheid is een karaktereigenschap die door onze maatschappij hoog wordt gewaardeerd in vrouwen. Wanneer een man van zichzelf zegt dat hij ergens heel goed in is, heet dat zelfvertrouwen. Van een vrouw vinden we al snel dat ze over zichzelf opschept. De bescheidenheid die meisjes al van jongs af aan krijgen aangeleerd, vormt een belangrijke barrière om naar voren te stappen en jezelf ergens geschikt voor te vinden. En als een vrouw daar geen last van heeft en zichzelf wel groot durft te maken, vinden we haar al gauw een kenau, haaibaai of bitch. Dit fenomeen wordt wel het Heidi/Howard-effect genoemd, vernoemd naar het experiment waarin proefpersonen precies hetzelfde cv onder ogen kregen maar met een verschillende naam erboven. Terwijl ze Howard en Heidi als even competent beoordeelden, vonden de proefpersonen Howard krachtig en Heidi zelfingenomen.

Zolang deze rolpatronen onveranderd blijven, zullen veel vrouwen zich bescheiden blijven opstellen en zichzelf minder snel kandidaat stellen

Training en begeleiding

Als je meer vrouwen in de politiek wilt, moet je ze dus actief werven. Maar daarmee ben je er nog niet. Omdat vrouwen zichzelf minder snel geschikt vinden, is het volgens Lawless en Fox ontzettend belangrijk training en begeleiding te bieden om hen over de streep te trekken.

Precies dat is de afgelopen tijd in Amerika gebeurd. Organisaties die vrouwen scouten, trainen, coachen, begeleiden en financieren zijn er de laatste jaren enorm in opkomst. En ook het aantal vrouwen dat aan dergelijke trainingen deelneemt, is na de verkiezing van Donald Trump toegenomen. Met resultaat: vrouwen zaten dit keer niet meer in hun eentje te bedenken waarom ze niet geschikt genoeg waren, maar maakten deel uit van een netwerk waarin ze leerden hoe ze er wél een succes van konden maken. Bovendien kregen ze handvatten aangereikt om met impliciet seksisme om te gaan.

Nederland komt niet eens in de buurt van deze Amerikaanse aanpak. Hier gaan politieke partijen er nog steeds vanuit dat het werven van kandidaten iets is voor verkiezingstijd, en dat een schoenendoos met namen volstaat. En wanneer de resultaten dan weer tegenvallen hoor je: ‘ze zijn er niet’, ‘we kunnen ze niet vinden’ en ‘ze willen niet’. Keer op keer klinkt weer het grijsgedraaide: ‘het gaat uiteindelijk om de kwaliteit’. We hoorden het Mark Rutte zeggen toen hij werd gevraagd naar de samenstelling van zijn ploeg voor Rutte III, en we hoorden het veelvuldig bij de burgemeestersbenoeming van Femke Halsema. Mannen willen er mee zeggen dat het wat hen betreft heus geen vrouw hoeft te zijn. Soms zeggen ze het zelfs om aan te tonen dat zij geen seksist zijn.

Maar het doet er wel degelijk toe wanneer die ‘kwaliteit’ vaker een vrouw is. Adviesorganisatie McKinsey berekende onlangs nog dat meer gendergelijkheid de Nederlandse economie een extra impuls van 114 miljard euro (17 procent) zou geven. We hebben allemaal baat bij meer gendergelijkheid en de politiek is bij uitstek de plek waar besluiten genomen worden die dit kunnen stimuleren.

Als je kijkt naar landen waar de verschillen tussen mannen en vrouwen klein zijn, dan valt onmiddellijk op dat het percentage vrouwen in de politiek er hoog is. Neem IJsland en Rwanda, de landen waar de loonkloof tussen mannen en vrouwen het kleinst is. Het hoge aantal vrouwen in het parlement leidde in IJsland tot beleid dat gendergelijkheid stimuleerde of afdwong. Rwanda heeft in zijn grondwet opgenomen dat 30 procent van alle politieke functie door vrouwen vervuld moet worden. Inmiddels is 61 procent (!) van de parlementsleden vrouw. Voor haar boek Breakthrough: the Making of America’s First Woman President (2016) bestudeerde Nancy L. Cohen talloze internationale onderzoeken. En al die onderzoeken concluderen dat er een duidelijk verband is: hoe meer vrouwen, hoe meer wetten en beleidsmaatregelen die goed zijn voor vrouwen en die gelijkheid bevorderen.

Het aandeel vrouwen in de politiek is dus een belangrijke voorwaarde voor gendergelijkheid in de maatschappij.

Meer vrouwen in de politiek vraagt niet alleen om gerichte initiatieven die ervoor zorgen dat vrouwen zich kandidaat stellen. Het is ook noodzakelijk dat de vrouwen die dat doen meer ruimte krijgen zichzelf te kunnen zijn, net als alle andere van de norm ‘afwijkende’ kandidaten.

Ook in dat opzicht, kunnen we leren van het Amerikaanse voorbeeld. De veelal jonge vrouwen die zich op dit moment verkiesbaar stellen, verbergen niet langer wie ze zijn om zo min mogelijk op te vallen. De politieke trainingen die deze vrouwen hebben gekregen helpen hen bovendien om dat seksisme niet persoonlijk op te vatten. Op die manier doet het geen afbreuk aan hun eigenwaarde en zelfvertrouwen.

De speech van Ayanna Pressley over identiteitspolitiek is daar een prachtig voorbeeld van. Zelfbewust claimt de kandidaat uit Boston, na haar overwinning in de voorverkiezingen, zoveel meer te zijn dan alleen vrouw en zwart. Maar ze zegt ook dat die aspecten van haar identiteit er wel degelijk toe doen.

Jezelf zijn, vrouw zijn, en succesvol zijn

Hillary Clinton is een voorbeeld van de generatie vrouwen die vooral bezig waren te bewijzen ‘net zo goed’ te zijn als mannen. Ze pasten hun stem, kleding en gedrag aan om zo min mogelijk de aandacht te vestigen op hun anders-zijn en op hun vrouw-zijn. De nieuwe generatie politici heeft daar lak aan. Ze herschrijven de spelregels en doorbreken daarmee de barrière van een wereld waarin mannen nog steeds de norm zijn en vrouwen de afwijking. Ze presenteren zich nadrukkelijk als vrouw, als moeder, als lesbisch, als zwart en stralen uit dat het kan: jezelf zijn, vrouw zijn, en succesvol zijn.

Het Amerikaanse voorbeeld toont aan dat wanneer je vrouwen extra begeleidt, de resultaten indrukwekkend zijn. Het laat zien dat een gerichte inzet werkt.

Het wordt hoog tijd dat we leren van de Amerikaanse aanpak en ook hier werk maken van het werven en begeleiden van vrouwen op weg naar een politieke functie.

Julia Wouters is auteur van De Zijkant van de Macht , Waarom de politiek te belangrijk is om aan mannen over te laten (uitgeverij Balans). Wouters is politicoloog en was elf jaar lang de rechterhand van Lodewijk Asscher als zijn politiek adviseur en speechschrijver.

‘Vrouw lijdt onder onbewust vooroordeel’

De tegenstanders van een ­vrouwen­quotum vrezen dat de maatregel om meer vrouwen in de top van het bedrijfsleven te krijgen ten koste zal gaan van ‘de kwaliteit’. Gerard van Vliet, directeur van de Nederlandse Vereniging Commissarissen en Directeuren (NCD), noemt het zelfs ‘heel gevaarlijk’. Ook veel vrouwen verklaren een baan niet op basis van hun geslacht te willen krijgen. Want, zo redeneren ze, vrouwen met ­‘voldoende kwaliteit’ komen er ook wel op eigen kracht. De harde cijfers ­geven echter een ander beeld.

De vraag die we ons dan ook moeten stellen is: wat is ‘kwaliteit’? Waarom betekent ‘kwaliteit’ in de praktijk zo vaak dat de keuze op een man valt? Is kwaliteit soms oneerlijk verdeeld tussen mannen en vrouwen? Zijn we eigenlijk wel in staat ‘kwaliteit’ objectief te beoordelen?

Uit talloze onderzoeken blijkt dat dat niet zo eenvoudig is omdat we mannen en vrouwen verschillend beoordelen. Mensen hebben nu eenmaal een enorme beeldbank in hun hoofd van mannelijke professionals en leiders. ­Daardoor associëren we mannen met leiderschap en leiderschap met mannelijkheid en ­geloven we makkelijker dat een man ‘kwaliteit’ heeft. Vrouwen vinden we op basis van diezelfde beeldbank juist minder snel ‘geschikt’.

Potentie

Een onderzoek van de Universiteit van Princeton uit 2004 geeft een goed beeld hoe dit soort vooroordelen werken. Wetenschappers maakten twee cv’s van denkbeeldige sollicitanten voor dezelfde baan. Op het ene cv had de kandidaat meer relevante werkervaring. Het andere cv liet juist een betere opleiding zien. Proef­personen mochten beoordelen wie ze het meest geschikt vonden.

Er waren drie groepen met proefpersonen: twee groepen die het geslacht van de sollicitanten te horen kregen, waarbij het geslacht per groep verschilde, en een controlegroep die het geslacht van beide kandidaten niet wist. De controlegroep koos met grote meerderheid voor de beter opgeleide sollicitant. In de groep waar de hoger opgeleide kandidaat een man was, was het resultaat hetzelfde. Maar in de groep waarbij de mannelijke sollicitant degene was met een lagere opleiding, bleek dat opeens veel minder een probleem. De meerderheid gaf nog steeds de voorkeur aan de man.

Je kunt dit fenomeen als volgt samenvatten: wat is de belangrijkste kwaliteit voor een ­bepaalde functie? Maakt niet uit, als de man­nelijke kandidaat het maar heeft.

De onbewuste associatie met mannen en ­leiderschap en leiderschap met mannelijkheid betekent ook dat mannen op hun potentie worden beoordeeld, vrouwen op wat ze al bereikt hebben.

Van mannen wordt eerder aangenomen dat ze het wel zullen leren. Vrouwen ­worden meer als een risico gezien. Vrouwen lijden niet alleen onder vooroordelen, ze hebben ze zelf ook. Daardoor beoordelen ook vrouwen hun sekse-genoten minder positief. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat vrouwen zichzelf dikwijls ­onderschatten. Terwijl ­mannen zichzelf eerder overschatten.

Valkuil

Recent Zweeds onderzoek bevestigt dit ­patroon. De onderzoekers analyseerden het taalgebruik van investeerders (m/v) tijdens ­beoordelingsgesprekken met ondernemers en toonden op die manier aan dat wat een pluspunt is bij een man een minpunt kan zijn bij een vrouw.

Zo wordt het niet gewaardeerd wanneer een vrouw te veel zelfvertrouwen uitstraalt, maar ook niet wanneer ze te bescheiden is. Een ­ondernemer moet kostenbewust zijn, maar voor de vrouw is dat een valkuil, want in haar geval ziet men het als gebrek aan ambitie. Over een man werd gezegd: ‘Hij is voorzichtig, en dat is goed. Hij neemt weloverwogen beslissingen.’

Positieve eigenschappen bij vrouwen werden in twijfel getrokken: ‘jong, maar onervaren’. Bij mannen was er zelden een ‘maar’: ‘jong en veelbelovend’. Zelfs als de eigenschappen negatief waren, werd er een positieve draai aan gegeven: ‘arrogant, maar indrukwekkend competent’.

De vrouwen in de beoordelingscommissie bleken net zo goed vooroordelen over vrouwen te hebben.

In Noorwegen werd al in 2002 een vrouwenquotum opgelegd. Ansgar Gabrielsen, destijds minister van Economische Zaken ­namens de Conservatieve Partij kon het niet verkroppen dat de overheid miljarden investeerde in de opleiding van vrouwen wier talent onvoldoende werd benut. En dus kwam er een wet.

Dankzij het quotum zullen bedrijven meer ‘kwaliteit’ binnenhalen dan ze voor mogelijk hielden. Helaas gaat dit niet vanzelf. En alleen zo kunnen we de beeldbank in ons hoofd steeds meer vullen met beelden van vrouwelijk leiderschap – in al haar diversiteit.

TIJD voor een politieke VUIST

DOOR JULIA WOUTERS BEELD LIZE PRINS

Nee, geen speciale vrouwenpartij, een bundeling van krachten als het om de politieke agenda gaat is veel effectiever, dat wist Joke Smit allang. In het geweldige afscheidsinterview dat ze met Hedy d’Ancona in september 1981 twee maanden voor haar dood had voor OPZIJ, gaf ze al haarfijn te kennen welke kant het op zou moeten. Dit interview is nog griezelig actueel en kan via onze site in zijn geheel worden gelezen. Julia Wouters, auteur van de Zijkant van de politiek, pakt de draad op. Tijd voor actie!

Toen Joke Smit wist dat ze niet lang meer te leven had, trok ze zich niet terug met haar geliefden maar ging ze als een bezetene aan het werk. Met een nog grotere intensiteit en verbetenheid dan ze haar korte leven al had gedaan. Er was nog zoveel dat ze wilde bereiken voor de vrouwenzaak, dat ze elke resterende minuut wilde gebruiken.

Joke Smit wordt wel beschouwd als de grondlegger van de tweede feministische golf in ons land. Op haar sterfb ed leek het of ze zich ook hoogstpersoonlijk verantwoordelijk voelde voor de (succesvolle uitvoering) van de feministische agenda.

Die gedrevenheid blijkt heel duidelijk uit het prachtige afscheidsinterview dat Hedy d’Ancona met haar had in september 1981 in wat toen nog radikaal feministisch blad Opzij heette.

Misschien is ‘prachtig’ niet het juiste woord en ‘afscheid’ dekt de lading ook al niet, want het is allesbehalve een terugblik op haar leven. Smit kijkt alleen vooruit. Het interview leest als een uitgebreide To Do-lijst voor de lezer. Smit is in het interview heel duidelijk over wat het belangrijkste doel van feministen zou moeten zijn: politieke macht. En ze laat het ook niet aan de verbeelding van de lezer over hoe die macht bereikt moet worden.

De kop boven het interview was: ‘’t Kan helaas niet zondervrouwenpartij.’

Na ruim een decennia ploeteren om de emancipatieagenda aan de man te brengen, zag ze een Vrouwenpartij als onvermijdelijk. Net zoals de SDAP ooit was opgericht om op die manier de belangen van arbeiders te behartigen, ongeacht uit welke ideologische zuil ze afkomstig waren, zo moesten vrouwen/feministen zich volgens haar ook als groep politiek organiseren. Zo niet, dan zou hun agenda altijd het onderspit blijven delven. Immers, mannen zouden macht en invloed moeten inleveren om meer ruimte voor vrouwen te maken. En haar ervaring daarmee was tot dan toe niet hoopgevend geweest. Want hoewel mannen in Smits eigen partij (de Pvda) de mond vol hadden over eerlijk delen van macht, kennis en middelen – bleek dat in de praktijk toch een stuk ingewikkelder als het henzelf betrof. Zelf had ze het na een jaar in de Amsterdamse gemeenteraad al voor gezien gehouden omdat ze geen ruimte kreeg. Ed van Thijn, in die tijd fractievoorzitter, vertelde later dat de fractie zich pas door haar vlammende afscheidsrede realiseerde ‘welk talent wij in huis hadden’.

Smit was tot de conclusie gekomen dat een CDAfeministe linkser was dan 99 procent van de mannen bij de Pvda of de PSP: ‘Want zij is niet alleen voor eerlijk delen in de wereldeconomie, maar ook voor eerlijk delen thuis.’ Smit ging verder dan alleen stelling te nemen. In het OPZIJ-interview deed ze haar hele politieke strijdplan minutieus uit de doeken.

Realist als ze was, erkende ze dat de tijd nog niet rijp was voor een vrouwenpartij. Daar moest naartoe gewerkt worden. De eerste concrete stap, zo stelde ze, was dat er veel meer samengewerkt moest worden door vrouwen in een vrouwenfractie. Daarin zouden feministen elkaar over de partijgrenzen heen opzoeken om vrouwenbelangen er bij hun eigen partij doorheen te drukken. Of zo nodig met elkaar voor een voorstel te stemmen, zelfs als dat afweek van het standpunt van de mannen in hun eigen fractie.

Smit was geïnspireerd door de motie-Tendeloo uit 1955, die een einde maakte aan het gebruik dat je als ambtenares ontslagen werd wanneer je trouwde. De motie was met een hele krappe meerderheid aangenomen. Het feit dat alle vrouwelijke Kamerleden de motie hadden gesteund, had het verschil gemaakt. Het toonde aan dat vrouwen wel degelijk invloed konden hebben, als ze elkaar maar steunden.

Een paar weken na het verschijnen van het artikel in OPZIJ overleed Joke Smit.

 

De journalistiek ziet zichzelf tegenwoordig vooral als doorgeefluik van de meningen van anderen of als commentator aan de zijlijn. Maar OPZIJ vatte haar rol in die tijd een stuk ruimer op. Dankzij OPZIJ was het Kamerbreed Vrouwen Overleg datzelfde jaar nog een feit. Vanaf dat moment kwamen alle vrouwelijke leden van de Eerste en Tweede Kamer regelmatig bij elkaar om over politieke en andere zaken te praten, ongehinderd door partijdiscipline.

Door mannen werd het Kamerbreed Vrouwenoverleg vaak afgedaan als een machteloos hobbyclubje, maar de vrouwen die ik voor mijn boek Dezijkant van de macht sprak, verhaalden er vol enthousiasme over. Niet alleen vonden ze er steun, ze bereikten wel degelijk wat. “Wij hebben echt met elkaar strategieën bedacht om de dingen door de fracties heen te krijgen die wij goed voor de emancipatie vonden en waar we het van links tot rechts over eens waren,” vertelt Annemarie Jorritsma (VVD). De informatie die de vrouwen met elkaar deelden, gebruikten ze om hun eigen fractie onder druk te zetten. Jeltje van Nieuwenhoven (Pvda):

“In de VVD-fractie konden de vrouwen zeggen: ‘Binnen de Pvda gaan ze nu echt iets doen met een motie over kinderopvang. Dan kunnen wij toch niet achterblijven!’ Zo kon je elkaar helpen.”

Toch stierf het Kamerbreed Vrouwen Overleg midden jaren negentig een stille dood. Je zou kunnen beweren dat het ten onder ging aan haar eigen succes. Er was inmiddels veel bereikt met de Wet gelijke behandeling die in 1994 werd aangenomen als hoogtepunt. Daarmee was de gelijkheid tussen mannen en vrouwen wettelijk vastgelegd. Het gevoel overheerste dat het nu vooral nog zaak was om die gelijke kansen te pakken. Echte gelijkheid was nog slechts een kwestie van tijd. De gedachte dat vrouwen gemeenschappelijke belangen hebben en onderling solidair moeten zijn, verdween. En daarmee ook de belangstelling voor een vrouwenfractie. En waren de meeste vrouwen tot die tijd op de vleugels van de vrouwenbeweging de politiek in gekomen, nu wilden vrouwen bewijzen dat ze niet in de politiek zaten omdat ze vrouw waren, maar vanwege hun persoonlijke kwaliteiten. Daardoor voelden ze zich geremd om nog langer op typische vrouwenthema’s te hameren.

Wat ook meespeelde was dat vrouwen het zat waren dat er net gedaan werd of iets als kinderopvang of ouderschapsverlof alleen een vrouwenonderwerp was. Nu was de beurt aan de mannen om zich daar hard voor te maken. Vrouwen moesten zich meer richten op de klassieke machtsportefeuilles zoals Financiën en Economische Zaken.

Hoewel ze gelijk hadden, was het effect rampzalig.

De voorheen klassieke vrouwenonderwerpen zoals bijvoorbeeld de combinatie van arbeid en zorg stonden nu onderaan de agenda of vielen er helemaal vanaf.

Het estafettestokje was niet overgepakt maar lag op de grond.

Inmiddels ligt het optimistisme dat het vanzelf wel goed gaat komen achter ons.

Vrouwen hebben hun achterstand in opleidingsniveau ruimschoots ingehaald, maar daarmee is het positieve nieuws ook wel op. De genderongelijkheid is desondanks reuze hardnekkig gebleken. We kennen de cijfers.

De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen krijgt dan ook weer volop aandacht. Je ziet het terug op tv, in de kranten en op diverse podia. De vrouwenstrijd begint weer hip te worden en steeds meer vrouwen durven zichzelf na lange tijd weer trots feminist te noemen. Maar het aantal vrouwen in de politiek neemt sinds 2010 juist af in plaats van toe. Vrouwen zijn in de politiek nog steeds een minderheid, en op plekken met echte invloed zijn vrouwen al helemaal pijnlijk schaars. In de Tweede Kamer zijn maar twee fractievoorzitters vrouw.

Vrouwenorganisaties lijken niet zo gebrand op het vergaren van politieke macht als Joke Smit en haar tijdgenoten waren.

Verwonderlijk is dat niet. Het past in onze tijdsgeest.

Het maatschappelijke vertrouwen in de politiek is laag. Daardoor kijken vrouwen niet naar de politiek voor oplossingen en zien ze voor zichzelf veel te weinig de opdracht om politiek actief te worden. Daardoor ontbreekt het de vrouwenbewegingen aan een duidelijke politieke agenda of politiek aanvalsplan.

Was de slogan van het tweede golf-feminisme nog: ‘Het persoonlijke is politiek’, tegenwoordig is het politieke weer gewoon persoonlijk. Barrières en obstakels die vrouwen ervan weerhouden om meer invloed en macht te vergaren, worden afgedaan als persoonlijk falen. De verantwoordelijkheid ligt bij individuele vrouwen. U kent de argumenten wel: vrouwen zijn niet ambitieus genoeg, het zijn balanstrutjes die niet willen. Ze moeten vaker hun vinger opsteken. Bereid zijn meer, langer en harder te werken. Ze moeten de juiste partner zoeken of met hem het gesprek aangaan en vooral niet te vroeg of te laat kinderen nemen. Ze moeten het vooral ook allemaal gewoon veel beter regelen. En niet zo onzeker zijn!

Vrouwenemancipatie krijgt in de politieke arena zelden de prioriteit die het verdient.

En zo kan het gebeuren dat, hoewel Mckinsey berekende dat er in ons land honderd miljard te verdienen valt aan gendergelijkheid, en de Rabobank onlangs becijferde dat de groei van onze economie tot stilstand komt door krapte op de arbeidsmarkt, vrouwenemancipatie geen politiek speerpunt is. En hoewel vrouwen inmiddels ook in absolute cijfers hoger opgeleid zijn dan mannen en die publieke investering onvoldoende oplevert omdat vrouwen nog steeds niet dezelfde kansen krijgen als mannen, krijgt ook dit onderwerp altijd maar zijdelings politieke aandacht. Aandacht voor structurele verklaringen en oplossingen is er nauwelijks.

De vrouwenemancipatie staat in het zijzaaltje, zelden op het hoofdpodium.

Het wordt dan ook hoog tijd dat vrouwen en de vrouwenbeweging weer inzien dat de politiek ertoe doet en beseffen dat het feminisme politieke macht nodig heeft om effectief te zijn. Vrouwen in de politiek moeten weer op de vleugels van de vrouwenbeweging kunnen opereren. Zich gesteund voelen door de maatschappelijke druk van feministen en zich gesterkt voelen bij het hameren op die dingen die in de politiek bereikt kunnen worden die het voor vrouwen daadwerkelijk beter maken, zonder bang te zijn voor excuustruus of zeur weggezet te worden.

De noodzaak voor de vrouwenbeweging om een duidelijke politieke agenda te formuleren, het debat te beïnvloeden, druk op het bestuur uit te oefenen en te zorgen voor politieke vertegenwoordiging is vandaag de dag onverminderd belangrijk.

Immers, om meer vrouwen aan de top te krijgen in het bedrijfsleven, zijn we afhankelijk van de politieke wil en een politiek besluit om verder te gaan dan een boterzacht streefcijfer. Alle ons omringende landen gingen ons al voor. Datzelfde geldt voor politieke vertegenwoordiging.

Het wordt tijd dat aan de tafels waar beleid gemaakt wordt, vrouwen in gelijke mate meebeslissen. Het serieus handhaven van de Wet gelijke behandeling en gelijke beloning, en daar prioriteit aan geven, ligt bij de politiek. In IJsland is er al een jaar een wet van kracht waardoor bedrijven die de fout ingaan ook daadwerkelijk een forse boete riskeren.

Ook de geringe mate waarin slachtoffers van seksueel of huiselijk geweld serieus genomen worden en het geringe aantal veroordelingen van daders moet politieke prioriteit worden.

Maatregelen tegen zwangerschapsdiscriminatie, hoeveel geld er voor kinderopvang wordt uitgetrokken, hoeveel dagen ouderschapsverlof en vaderschapsverlof er zijn? Allemaal politieke besluiten.

Weet u hoe vaak het woord ‘vrouw’ voorkomt in het hoofdstuk over emancipatie van het huidige regeerakkoord? Nul keer!

De vrouwenbeweging kan veel leren van de LHBTIQ-beweging. Hun achterban is net zo divers als die van de vrouwenbeweging. Net zoals dat voor vrouwen geldt, zijn de onderlinge verschillen tussen mensen die zich onder de noemer ‘LHBTIQ’ scharen groter dan hun overeenkomsten.

Toch lukt het hen wel degelijk om een aantal gemeenschappelijke agendapunten te formuleren.

Neem een organisatie als het COC. Zij hebben al jaren een effectieve politieke lobby. Telkens als er verkiezingen zijn, zetten zij met hun stembusakkoord druk op politieke partijen om hun steun uit te spreken voor hun emancipatie-agenda. Met ondertekening van zo’n Regenboogakkoord, voorheen het Roze Stembusakkoord, beloven politieke partijen zich in te zetten voor die agenda. Verreweg de meeste politieke partijen ondertekenen dit akkoord maar al te graag. Ze willen daarmee uitstralen dat LHBTIQ belangen bij hen veilig zijn en hopen op die manier stemmen te winnen.

Het COC monitort vervolgens of de partijen hun belofte gestand doen. Ook gaande de rit weten ze het politieke debat goed te beïnvloeden.

Toen onlangs de in het Nederlands vertaalde Nashvilleverklaring ons land schokte, sprak heel politiek Nederland zich uit. Die terecht geuite verontwaardiging over de homofobe tekst staat in schril contrast met de gelatenheid waarmee de politiek reageert op vrouwonvriendelijke of ronduit seksistische uitlatingen. Zo kan ik me niet herinneren dat de ‘grab’m by thepussy’-uitspraak van – toen nog presidentskandidaat  Trump, een vergelijkbare reactie opriep bij politici. Geen impromptu speeches van burgemeesters of uitingen van afschuw door onze premier.

Je kunt de kracht van de politieke vuist van de LHBTIQ-beweging ook afmeten aan het feit dat er in de Tweede Kamer heel wat meer gedebatteerd wordt over genderneutrale toiletten dan over het grote tekort aan gratis openbare toiletten voor vrouwen. En daarmee laat de LHBT-gemeenschap zien dat het wel degelijk mogelijk is om het politieke debat te beïnvloeden. Het wordt tijd dat de vrouwenbeweging dat voorbeeld gaat volgen. Wanneer vrouwenorganisaties hun volle gewicht achter een gezamenlijke agenda scharen, wordt de sociale druk op de politiek en politici groter en zullen vrouwenbelangen weer stevig op de agenda komen te staan.

Daarom doe ik een oproep aan vrouwen en vrouwenorganisaties: zet de schouders onder de totstandkoming van een politieke agenda en formuleer aan de hand daarvan een stembusakkoord waarmee je politici uitdaagt publiekelijk hun steun uit te spreken. De vrouwenstrijd kan niet zonder een politieke vuist.

Hoe mooi zou het zijn als juist vanuit OPZIJ als eerbetoon aan honderdjaar vrouwenkiesrecht zo’n politieke vrouwenagenda tot stand zou komen.

 

Julia Wouters is politicoloog en auteur van De zijkant van de macht – Waarom de politiek te belangrijk is om aan mannen over te laten (uitgeverij Balans, 2018). Elf jaar lang was ze politiek adviseur en speechschrijver van Lodewijk Asscher. Nu zet ze die ervaring in voor haar missie en adviseert en coacht ze vrouwen in de politiek of met politieke ambities.

 

Dit artikel verscheen eerder in OPZIJ

Het feminisme heeft de politiek nodig

Vrouwen en vrouwenorganisaties hebben de politiek nodig om hun belangen te behartigen – en de politiek heeft meer vrouwen nodig om die belangen ook echt tot hoofdzaak in plaats van bijzaak te maken.

De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen krijgt de laatste tijd steeds meer aandacht. Je ziet het terug op tv, in de kranten en op diverse podia. De vrouwenstrijd begint weer hip te worden en steeds meer vrouwen durven zichzelf na lange tijd weer trots feminist te noemen. Ze laten steeds luider van zich horen en eisen verandering: Time’s Up!

Ik voel vlinders in mijn buik bij de hoop dat we misschien aan het begin van een nieuwe feministische golf staan. Maar ik maak me ook zorgen over de effectiviteit van dat hedendaagse feminisme. De nieuwe generatie zelfbewuste feministen ontbreekt het aan een politieke agenda en aan een politiek aanvalsplan.

Maatschappelijk vertrouwen

Verwonderlijk is dat niet. Hedendaagse feministen verschillen hierin niet van hun leeftijds- en tijdsgenoten. Het maatschappelijke vertrouwen in de politiek is laag. Daardoor kijken ze niet naar de politiek voor oplossingen en zien ze voor zichzelf ook veel te weinig opdracht om politiek actief te worden.
Dat is mijns inziens een grote fout. De politiek is niet zaligmakend, maar nog altijd veel te belangrijk om links (of rechts) te laten liggen.

Vrouwen van de eerste feministische golf vochten voor het kiesrecht. Sommige van hen waren bereid daarvoor te sterven, zozeer waren ze overtuigd van de noodzaak dat vrouwen moesten kunnen meepraten en meebeslissen in de politieke arena: alleen dán zou de positie van vrouwen werkelijk verbeteren.

Nee zeggen was geen optie

Vrouwen van de tweede feministische golf waren overtuigd dat, wanneer je de mogelijkheid had om de politiek in te gaan, nee zeggen geen optie was. Er was immers geen betere manier om je politieke agenda te verwezenlijken dan daar waar de besluiten werden gemaakt.
De vrouwen die in de jaren zeventig en tachtig in de politiek zaten, wisten zich gedragen en gesteund door de vrouwenbeweging. Ze hadden heldere doelen en waren ervan doordrongen dat ze een stem gaven aan al die andere vrouwen. Daardoor hadden ze, ondanks dat vrouwen in de politiek nog een kleine minderheid was, het lef zich te laten gelden en de boel flink op te schudden.

Duidelijke politieke agenda nodig

De noodzaak voor de vrouwenbeweging om een duidelijke politieke agenda te formuleren, druk op de politiek uit te oefenen en te zorgen voor politieke vertegenwoordiging is vandaag de dag onverminderd belangrijk.
Immers, om meer vrouwen aan de top te krijgen in het bedrijfsleven, zijn we afhankelijk van de politieke wil en een politiek besluit om verder te gaan dan een boterzacht streefcijfer. Alle ons omringende landen gingen ons al voor.
Het serieus handhaven van de wet voor gelijke behandeling en gelijke beloning, en daar prioriteit aan geven, ligt bij de politiek. In IJsland is er al een jaar een wet van kracht waardoor bedrijven die de fout ingaan ook daadwerkelijk een forse boete riskeren.
Ook de geringe mate waarin slachtoffers van seksueel of huiselijk geweld serieus worden genomen worden en het geringe aantal veroordelingen van daders moeten een politieke prioriteit worden.
Hoeveel geld is er voor kinderopvang, hoeveel dagen ouderschapsverlof en vaderschapsverlof zijn er?
Allemaal politieke besluiten.

Dit is mijn oproep:

Daarom doe ik een oproep aan vrouwen en vrouwenorganisaties: formuleer een politieke agenda. Steun vrouwen in de politieke arena die zich inzetten voor die agenda of beter nog: ga zelf de politiek in.
De vrouwenstrijd kan niet zonder een politieke vuist.

 

Deze blog verscheen eerder op Stadsleven.nu

De Midterms, reden voor blijdschap en ergernis.

De uitslagen van de Amerikaanse midterm verkiezingen zijn sensationeel. Nooit eerder werden er op zoveel plekken zoveel vrouwen en minderheden verkozen. En tussen hen heel veel firsts: De eerste zwarte vrouw in het congres, de jongste vrouw, de eerste moslima’s, de eerste Native-Americans, de eerste openlijke homo’s en lesbo’s.

Het is niet overdreven om over een politieke aardverschuiving te spreken. Als je, zoals ik, een hartstochtelijk voorstander bent van meer vrouwen in de politiek is er dus reden genoeg om blij te zijn. Maar naast dat ik blij ben, maak ik me ook boos.

Ik maak me boos om al die politiek commentatoren die heel gemakzuchtig verklaren dat er zoveel vrouwen en minderheden meegedaan hebben omdat ze “tegen Trump zijn”. Ik hoorde Michiel Vos bij Pauw zelfs zeggen dat Trump heel goed voor de vrouwenemancipatie is. Een belachelijke simplificering van de werkelijkheid.

In werkelijkheid is het heel hard werk geweest. Er is een enorme inzet geweest van organisaties die vrouwen en minderheden werven. Organisaties als Emily’s list en Amanda Litman’s Run for Something en vele anderen. Zij hebben actief gezocht naar mensen die eventueel geschikt zouden kunnen zijn maar dat niet zo snel van zichzelf dachten omdat ze niet op de zittende politici lijken. Zij zijn actief benaderd en begeleid. Bijgestaan bij het samenstellen van hun team en het formuleren van hun agenda. Geholpen bewust te worden welke barrières je als vrouw of minderheid tegenkomt en hoe je die overwint. Een netwerk geboden, et cetera.

Ook de verdeeldheid binnen de Democratische partij, waar de politieke commentatoren over spreekt, hangt samen met deze aardverschuiving. Er is een hele nieuwe garde politici opgekomen die zich niet meer aan de regels wil houden van hoe de politiek ‘nu eenmaal’ functioneert. Ze willen niet aan de leiband van belangenorganisaties en lobbygroepen lopen. Ze willen dat de politiek inclusief wordt, voor iedereen, en dus ook voor en door hen. En op hun manier.

Het gevaar van de simplistische verklaringen die ik de afgelopen dagen voorbij heb horen komen, is dat we denken dat je niks hoeft te doen om de politiek weer van iedereen te maken. En dat zou wel eens het failliet van ons politieke systeem betekenen met steeds meer versnippering en steeds krappere meerderheden. Iets waar Wim Kom zich grote zorgen over maakte in zijn gesprek met mij voor mijn boek De Zijkant van de Macht. Kok vreesde de teloorgang van het huidige politieke systeem en de partijpolitiek. ‘De geloofwaardigheid van een systeem – waarin een steeds kleinere meerderheid zijn wil op kan leggen aan een steeds grotere minderheid – kalft af. Als er niks verandert, implodeert het hele systeem. Dat proces is al volop gaande. We moeten naar andere vormen zoeken.’ Hij sprak zijn hoop uit dat vrouwen de drijvende kracht zouden kunnen zijn die op een andere manier politiek kunnen maken.’

En zo is het maar net. We kunnen het ons dus niet veroorloven de gemakzuchtige verklaringen te geloven en te herhalen. De democratie voor iedereen maken is hard werken.